Discriminatie ligt in de Islam besloten

In diverse landen worden kerken in brand gestoken door een opgezweepte menigte islamitische jongeren. Indonesië bijvoorbeeld, stond lange tijd bekend als een land waar christenen en moslims in harmonie met elkaar samenleefden. Steeds vaker horen we echter van christenvervolging in moslimlanden. Hebben alle moslims zo’n hekel aan christenen? Zijn het zulke onmensen, of zit er iets anders achter?

De werkelijkheid is dat moslims over het algemeen vriendelijke en verdraagzame mensen zijn, die heel goed met christenen omgaan en met hen vriendschap sluiten. Het is de islam die de christenen discrimineert. Als moslims daar aan meedoen, dan doen zij slechts hun religieuze plicht. Het zit ingebakken in de ideologie van de islam. In dit artikel willen wij ingaan op de achtergronden van de christenvervolging in de moslimwereld. Hiervoor nemen we een duik in de geschiedenis van de islam.
In tien jaar tijd, van 622 tot 632, heeft Mohammed vrijwel het gehele Arabische schiereiland aan zich onderworpen. De verslagen heidense stammen kregen de keus tussen moslim worden of de dood. De meesten werden dus moslim. De verslagen joden en christenen hoefden zich niet te bekeren, maar zij moesten een capitulatieverdrag tekenen, de dhimma. Hierin waren de voorwaarden vastgelegd waaronder de overwonnen stammen mochten blijven leven.

Vernederend gedrag

Het was een zeer vernederen verdrag, dat de verslagenen degradeerde tot tweederangs burgers in hun eigen land, die echter de bescherming van Mohammed genoten. Mohammed behield zich wel het recht voor het verdrag te allen tijde nietig te verklaren. Na de dood van Mohammed zetten zijn opvolgers, de kaliefs, de strijd voort. Grote delen van het Midden-Oosten werden veroverd, waaronder een groot aantal christelijke landen, zoals Egypte en Syrië. Zij moesten zo’n capitulatieverdrag tekenen. In feite kwam de dhimma neer op een soort apartheidswetgeving. Essentieel was dat de dhimmi werd vernederd en zich schikte in een minderwaardige positie in de moslimmaatschappij. Dat werd door iedere bepaling benadrukt. Het begon met de hoofdelijke belasting, de djizia; een soort beschermgeld waarmee de dhimmi’s als het ware hun recht kochten om in leven te blijven. Moslims hoefden die belasting niet te betalen. De manier waarop de djizia jaarlijks werd betaald, was vaak stuitend vernederend. Zij was gebaseerd op een tekst uit de Koran waarin Mohammed zei: “Bestrijdt hen die niet geloven in Allah, noch in de Laatste Dag, en die niet verboden stellen wat Allah en Zijn boodschapper verboden hebben gesteld, en die zich niet voegen naar de wezelijke godsdienst (islam) onder degenen aan wie de Schrift gegeven is (joden en christenen), totdat zij uit de hand de schatting (djizia) opbrengen in onderdanigheid”. (Soera 9:29)

De joodse schrijfster Bat Ye’or citeert een groot aantal documenten waarin wordt voorgeschreven hoe deze regel in verschillende tijden en plaatsen moest worden toegepast.
In grote trekken komt het neer op het volgende: De belastingbetaler moest met z’n geld persoonlijk naar de markt, waar de belastingontvanger (vaak een sjeik of emir) op een soort troon was gezeten. De dhimmi’s moesten lange tijd wachten op de smerigste plaats totdat ze één voor één voor de sjeik werden gesleept. Dan moest de dhimmi het verschuldigde bedrag in de hand van de moslim leggen, maar zó dat zijn hand niet boven die van de moslim uitkwam. De dhimmi moest blijven staan, terwijl de moslim op z’n troon gezeten was. Na het overhandigen van het geld moest de dhimmi voorover buigen, zodat de moslim hem een klap tegen z’n wang of een stomp in z’n nek kon geven, met de woorden: “Betaal de schatting aan Allah, o vijand van Allah, o ongelovige”. Hierna werd de belastingbetaler bruut weggetrokken, “om hem het gevoel te geven dat hij aan het zwaard ontsnapt is”. Alle moslims werden uitgenodigd om van dit schouwspel te genieten. Zo werden alle joden en christenen, van hoog tot laag, in het openbaar vernederd. Rijke dhimmi’s stuurden vaak een afgezant om de belasting te betalen, maar regelmatig werd dit verboden. Men moest in eigen persoon vernederd worden.

Speciale belastingen

De bepalingen van het verdrag waren niet altijd dezelfde, maar in grote trekken kwamen ze neer op de volgende:

Dhimmi’s moesten drie speciale belastingen betalen, waarvan de djizia of hoofdelijke belasting het meest gehaat was. Een dhimmi moest het betalingsbewijs altijd bij zich hebben, anders kon hij gearresteerd worden.
Een dhimmi mocht geen gezag uitoefenen over een moslim. Dus waren hogere overheidsfuncties verboden voor christenen. Om dezelfde reden kon een christenman nooit trouwen met een islamitische vrouw. Maar een christenvrouw wel met een islamitische man. Een christen mocht ook niet op een paard of een kameel rijden. Als hij op een ezel gezeten een moslim tegenkwam, moest hij van z’n ezel springen en nederig wachten totdat de moslim voorbij was.
De eed van een dhimmi had geen waarde, dus kon een dhimmi nooit getuigen tegen een moslim. Het principe van oog om oog gold alleen voor moslims. Dus doodstraf op moord bij moslims onderling, maar niet als een moslim een dhimmi had vermoord.
De christenen mochten hun kerken behouden, maar nieuwe mochten zij niet bouwen en ook hun oude kerken mochten zij niet uitbreiden. Voor reparaties was vergunning vereist.Kerken en synagogen waren niet beschermwaardig. Gevolg: plundering en brandstichting van kerken en synagogen.
Iedere vorm van evangelisatie onder moslims was verboden. Openbare godsdienstige manifestaties waren ook verboden. De kerkklokken mochten niet luiden, want dat werd gezien als evangelisatie. Joden mochten de sjofar niet blazen. Alle godsdienstoefeningen moesten binnen de muren van de kerk of synagoge plaatsvinden, dus geen processies en openbare begrafenissen. Het zingen mocht niet van moslims hoorbaar zijn. Kritiek op de islam of Mohammed werd niet geduld.

Gettovorming

Dit soort bepalingen heeft gettovorming in de hand gewerkt. In hun eigen wijk konden christenen soms toch kerkklokken luiden en een processie houden en hun doden begraven. Het voorschrift dat het huis van een jood of christen niet hoger mocht zijn dan dat van een moslim in dezelfde straat, woog minder dan in een getto. Dhimmi’s moesten zich ook onderscheiden door het dragen van aparte kleding en het altijd bij zich hebben van hetdjizia-betalingsbewijs, dat zij soms om de hals moesten dragen. Ze mochten geen Arabische titels voeren en het gebruik van het Arabisch schrift was voor hen verboden. Ook mochten zij geen wapens dragen. Er bestond ook zoiets als positieve discriminatie onder het dhimmi-verdrag: de christenen hadden recht op bescherming door de islamitische overheid. (Het woord dhimmi betekent beschermeling). Bekend is dat de kalief Omar de dhimmi-schatting een keer liet teruggeven aan een groep christenen, omdat hij niet in staat was gebleken hen te beschermen. Christenen mochten ook wijn verkopen, iets wat voor de moslims verboden was. Christenen hoefden ook niet in militaire dienst, want zij mochten geen wapens dragen. (Zij konden dus ook geen beroepssoldaat worden). Ook hadden de dhimmi’s een zekere mate van zelfbestuur..(Soevereiniteit in eigen kring).

Onrein

Ondanks deze positieve discriminatie is het geen wonder dat in de loop der eeuwen veel christenen overgingen tot de islam. Geleidelijk werden de christenen een minderheid in hun eigen land. Door de vernederende aard van de dhimmi-status lag het voor de hand dat er op christenen werd neergekeken, en dat zij zelfs als onrein beschouwd werden. Overigens werden de bepalingen niet altijd even streng opgevolgd. Het feit alleen al dat er nog steeds eeuwenoude kerken zijn in het Midden-oosten, is hiervan het bewijs. Als de dhimmi strikt was toegepast, zouden er na de zevende eeuw geen kerken meer gebouwd zijn en zouden de bestaande kerken tot ruïnes zijn vervallen. Toch heeft het gebruik stand gehouden tot omstreeks het midden van de vorige eeuw. Het grootste deel van de moslimwereld viel toen binnen het Turkse (Ottomaanse) rijk. Onder druk van vooral Engeland en Frankrijk werd de dhimma in 1856 in het hele Turkse rijk afgeschaft. In Perzië (Iran), Jemen en Marokko bleef de dhimma tot in deze eeuw van kracht. De afschaffing van de dhimma heeft overigens de woede opgewekt van fanatieke moslims, wat resulteerde in progroms tegen dhimmi’s, waarbij honderdduizenden christenen en joden werden afgeslacht, met name onder de Armeense en Syrische christenen.

Propaganda

Nu kan men een wet wel afschaffen, maar een gebruik van eeuwen schaf je niet zomaar af. Daar komt bij dat de fundamentalisten luid roepen om herinvoering van de dhimma. “De christenen moeten weer op de plaats gezet worden en zich neerleggen bij hun tweederangsstatus. Anders emigreren ze maar naar het Westen”, zo zeggen ze. Door al deze propaganda kijken veel moslims nog steeds neer op de christenen in hun midden. Christengevangenen in Pakistan moeten wachten met eten tot de moslims klaar zijn. Anders zouden zij het eetgerei verontreinigen. Het gevolg is dat alle eten en drinken soms op is voordat zij aan de beurt zijn. Sommige fanatieke moslims gooien in openbare gelegenhedenhet serviesgoed stuk als een christen ervan gegeten of gedronken heeft. Dit doen zij om te voorkomen dat zij later van dit “verontreinigde” servies zullen eten. Om dezelfde reden hebben christenen in landen als Iran en Pakistan hun eigen restaurants (waar ze dan wel varkensvlees en wijn mogen serveren), een vorm van apartheid waar niemand verontwaardigd over doet. In Egypte moet de president nog steeds vergunning geven voor de bouw of de reparatie van een kerk. Sinds 1980 zijn er nog geen vijf kerken gebouwd, tegen 80.000 moskeeën! Ter vergelijking: in dezelfde periode zijn in Nederland 340 moskeeën geopend. In de meeste moslimlanden zijn hoge leidinggevende posities nog steeds niet voor christenen weggelegd. Veel moslims weigeren een christen als baas te hebben. Zelden zal een christen een hoge rang in het leger bekleden. In Pakistan ijveren de fundamentalisten voor herinvoering van de dhimmi- belasting, te betalen door niet-moslims. In Egypte komt het regelmatig voor dat de moslimbroederschap of een andere fundamentalistische groepering de dhimmi-belasting afperst van rijke christenen. Het geld vloeit naar de kas van de eigen organisatie te verbreiding van het fundamentalisme. In de ogen van de Egyptische regering is het een mafiapraktijk, maar de fundamentalisten beweren dat zij de regels van de islam toepassen. Nog steeds kunnen christenen niet met moslimvrouwen trouwen, en het is in die landen normaal dat een moslim die tot een ander geloof overgaat, gedwongen wordt te scheiden.

Twee kampen

Het dhimmi-stelsel past goed in de ideologie van de islam, die de wereld verdeelt in twee kampen: een “huis van de islam” en een “huis van de oorlog”(Dar al islam en Dar al harb). De Dar al islam is de moslimwereld,waar de moslims niet per sé in de meerderheid zijn, maar waar zij wel de macht hebben. Hier behoort de islamitische wetgeving (de sjaria) van kracht te zijn. De rest van de wereld is de Dar al harb en moet nog voor de islam veroverd worden, vandaar de naam “huis van de oorlog”. In de Dar al islam is de wetgeving er dus op gericht de hele bevolking te islamiseren. Door de niet-moslims te vernederen en de moslims allerlei voorrechten te geven, wordt de islam steeds sterker. Het systeem heeft zijn effectiviteit duidelijk bewezen.

Overigens hebben de moslims niet alles zelf bedacht. Het systeem grijpt terug op oeroude Arabische stamgebruiken. de islam heeft bovendien veel van zijn gedachtengoed geleend van de joden en de christenen. Of de eerste moslims op de hoogte waren met het “dhimmi-verdrag” dat Jozua tweeduizend jaar eerder met de Gibeonieten sloot is twijfelachtig, maar vaststaat dat de vele Syrische gezagsdragers die overgingen tot de islam, alleen maar de bestaande Byzantijnse (Oost-Romeinse) wetgeving ten aanzien van de joden hoefden aan te passen. In het Oost-Romeinse rijk was de Grieks-Orthodoxe Kerk de staatskerk, die alle andere godsdienstenbestreed. De joden hadden altijd al een bijzondere status in het Romeinse rijk, met aparte rechten en plichten.

Diepe sporen

Onder invloed van de Byzantijnse staatskerk kregen de joden steeds minder rechten. On 534 werden de rechten en plichten van de joden vastgelegd in de wetten van Justinianus. Dit stelsel werd overgenomen en verder uitgewerkt door de moslims, die het toepasten op alle niet-moslims. Zo kreeg de Orthodoxe Kerk een koekje van eigen deeg. De koptische en nestoriaanse christenen, die door de Orthodoxe Kerk vervolgd waren, gingen er aanvankelijk onder de moslims op vooruit. Het effect van de dhimma liet zich pas eeuwen later gelden. Twaalf eeuwen dhimmi-schap hebben diepe sporen getrokken in de mentaliteit van de kerk in de moslimwereld. “Overleven” heeft de zendingsopdracht naar de achtergrond verdrongen, terwijl met name de nestoriaanse kerk in het verleden tot in het verre China gemeenten gesticht heeft. Telkens wanneer de kerk zich weer op evangelisatie toelegde, werd dat bloedig afgestraft. Veel christenen beschouwen hetdhimmi-schap als hun natuurlijk lot. Zij verzettenzich er dan ook niet tegen. “In de wereld lijdt gij verdrukking” en “Al wie een godvruchtig leven wil leiden, zal vervolgd worden”. Zozeer als deze bijbelteksten door de westerse kerk worden verwaarloosd, zozeer worden ze door de koptische kerk gekoesterd. De Bijbel leert ons nergens dat we moeten vechten voor onze rechten, maar wel dat we voor onze broeders moeten opkomen.

(Uit het Reformatorisch Dagblad)

Er wordt vaak verondersteld dat als mensen
ophouden in God te geloven, ze nergens
meer in geloven. Helaas, het is nog erger;
als ze ophouden in God te geloven,
geloven ze overal in. G.K. Chesterton

Updated: 25/08/2016 — 12:44

Jezus voor het Sanhedrin

Iedere rechtszaak moet een bepaalde grondslag hebben. In het gericht van Jezus beriep men zich ten eerste op de Wet van Mozes, en ten tweede op de Talmud.

De Wet van Mozes omvat de vijf eerste Boeken van het Oude Testament. De Talmud die een zeer uitgebreide verklaring van het Oude Testament is, bestaat uit de Mishna en de Gemara. In de Mishna vinden we een uitleg van de Joodse wetten en tradities. De Gemara omvat boeken over poëzie, spreuken en theologie.

De vijf boeken van Mozes zijn de bron geweest van alle Joodse tradities. Toen het volk Israël zich uitbreidde, en de onderlinge verhoudingen ingewikkelder werden, ontstond de noodzaak uitbreiding te geven aan de wetten, de tradities, en de rechtspraak, en alles duidelijk vast te stellen.

De Joodse rechtspraak en de aanstelling van de rechters berustte geheel op de oude Wet waarin Mozes de kinderen Israëls gebood: “Rechters en opzieners zult gij aanstellen in al de steden die de Heer, uw God, u geven zal, naar uw stammen. Zij zullen het volk berechten met een rechtvaardige rechtspraak” (Deut. 16 :18, Exod. 18 :25, 26). Ook de grondslag van het grote Sanhedrin vinden we in de Wet van Mozes, waar God gebood: “Vergader Mij uit de oudsten van Israël zeventig mannen van wie gij weet dat zij oudsten en opzieners van het volk zijn, en breng hen naar de Tent der samenkomst, opdat zij zich daar bij u opstellen (Numeri 11 : 16~ 17).

In Jezus’ tijd bestonden er drie verschillende rechtbanken. Ten eerste de Rechtbank van de Richters, die uit drie leden bestond. Deze rechtbank ging alleen over burgerlijke zaken en kon geen misdaden behandelen. Dan was er het Kleine Sanhedrin, bestaande uit drieëntwintig leden. Deze kon allerlei gevallen berechten. De derde rechtbank was het Grote Sanhedrin te Jeruzalem, dat bestond uit zeventig leden en de Hogepriester. Hieronder waren drie groepen: drieëntwintig priesters, hetzelfde aantal Schriftgeleerden, en evenveel oudsten. De Schriftgeleerden waren thuis in de Wet, die zijzelf met de hand moesten schrijven. De oudsten waren zakenlieden en degenen die de besluiten uitvoerden.

De leden van het Sanhedrin waren grondig onderlegd en bezaten veel ervaring. Ook moesten zij grote kennis hebben van de talen der omwonende volken, omdat een tolk de zittingen niet mocht bijwonen. Om tot het Sanhedrin te kunnen behoren moest men boven de veertig zijn. Immers, die leeftijd had men wel nodig om de Wet van Mozes en de Talmud uit het hoofd te kennen. Men moest getrouwd zijn en een gezin hebben. Dit omdat er van een vader meer lankmoedigheid verwacht kan worden dan van iemand die geen kinderen heeft.

De voorzitter van het Sanhedrin was de Hogepriester, die door het volk gekozen werd. In Jezus’ tijd was het hogepriesterschap meer een politieke aangelegenheid. Wie het meeste geld bood kreeg de waardigheid van de Romeinse stadhouder. De gunst werd verleend aan hem die deze kon bijstaan aan het Keizerlijke Gerechtshof.

Het huis van Annas behoorde tot een goddeloze, slechte aristocratie die zich schuldig maakte aan allerlei onrecht en gruweldaden. Annas en zijn schoonzoon Kajafas, die naar het schijnt in hetzelfde paleis woonden, hebben in het Sanhedrin de rechtszaak van Jezus behandeld. De meeste overige leden waren zonen en bloedverwanten van Annas.

Naar de wet was er maar één plaats waar het Sanhedrin kon vergaderen, en die was een zaal in de Tempel, bekend onder de naam: Zaal der gehouwen Stenen. Besluiten genomen op een andere plaats waren onwettig, van nul en gener waarde. De rechtsbevoegdheid van het Sanhedrin strekte zich uit over alle gevallen.

Doodstraf werd op drie manieren toegepast. Voor moord werd de dader onthoofd, bij andere misdaden kon de dood door verbranding of door steniging volgen.

Dat het Sanhedrin bij de rechtspraak over Jezus vooraf tegen Hem had samengespannen, was volkomen tegen de wet. De leiders van de Joodse aristocratie hadden zich hevig geërgerd aan Zijn openlijke, radicale uitspraken, die het gewone volk graag hoorde (Marc. 12:37). Het waren hun persoonlijke gevoelens en hun naijver die deze mannen Jezus deden haten. Toen zij bijvoorbeeld zagen dat Hij ongeneeslijken kon helen, beschuldigden zij Hem van toverij (Matth. 9 : 34, 12 : 24, Mare. 3 : 22, Luc. 11 : 15). Toen Hij hun zei dat geen profeet geëerd is in zijn éigen land, werden zij vervuld met toorn én wilden Hem doden (Luc. 4:24-29). Dit gebeurde in Nazareth, te Galilea, waar men volstrekt het recht niet had om te beslissen over iemands leven of dood. Die plaats bezat immers geen drieëntwintig rabbijnen om een Klein Sanhedrin te vormen!

Toen Jezus de man met de verschrompelde hand genas, maakten zij van deze gelegenheid gebruik Hem te beschuldigen van Sabbats-ontheiliging (Matth. 12: 9-14, Marc. 3 :1-6, Luc. 6 A-11). En niettegenstaande Zijn verklaring “dat het geoorloofd is op de Sabbat goed te doen”, spanden zij met de Herodianen samen om te overleggen hoe zij Hem doden zouden.

Toen een Farizeeër Hem te eten nodigde, waren al hun vragen erop gericht Hem te vangen in iets dat Hij zich zou laten ontvallen (Luc. 11 :37-54). Later herinnerde Jezus hen eraan dat de Tempel Gods bedehuis was voor alle volkeren (Jes. 56 : 7), maar dat zij er een rovershol van maakten. Daarom zochten zij hoe zij Hem zouden ombrengen (Matth. 21 :12, 13, Marc. 11 : 15-18, Luc. 19 :45-47).

Men trachtte Hem op politiek terrein in de val te laten lopen, in de hoop Hem van verraad te kunnen beschuldigen, maar dit liep uit op een jammerlijke mislukking. “Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?” was de vraag die zij Hem stelden. Hij antwoordde: “Geeft de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is” (Matth. 22 :15-21, Mare. 12 :13-17, Luc. 20 :20-26).

Hun felste haat werd echter opgewekt toen Jezus Lazarus uit de dood deed opstaan (Joh. 11 :41-44). Nu hadden zij met eigen ogen Zijn grootheid gezien en hun jaloersheid kende geen grenzen. Zij hadden Hem wel op klaarlichte dag willen vernietigen, maar dorsten niet omdat velen in Hem geloofden (Matth. 21 : 46, Joh. 2: 23, 4: 39, 50, 53, 8: 30, 11 : 45, 12 : 11). Het was zelfs zó dat zij Lazarus wilden doden, omdat deze een tastbaar bewijs en een levend getuigen was van Jezus’ macht en de aanspraak die Deze maakte op het Messias-schap (Joh. 12 : 10). Maar zij vonden het te gevaarlijk, omdat dan ieder de drijfveer van hun daad zou doorzien.

Tenslotte kwamen zij tot het besluit zich in ieder geval van Hem te ontdoen, maar dan op zo’n manier dat niemand hun verraderlijke streken zou opmerken. Want dit zou zeker oproer verwekt hebben onder de schare die Hem liefhad en in Hem geloofde (Matth.’26 :3-5, Joh. 11 :47-53). Daarom spanden zij samen met een slappeling onder Jezus’ discipelen, Judas Iskariot, die evenals zij de mammon diende, en die geld stelde boven de Heer die hem zich verworven had (Deut. 32 :6-18). Zij gaven hem dertig zilverlingen (Matth. 27 A-10), zoals door de profeet was voorzegd (Zach. 11 : 12-13). Hiervoor zou hij hun de plaats aanwijzen waar Jezus zich met Zijn discipelen zou terugtrekken in het midden van de nacht, wanneer het, volk in en om Jeruzalem in vaste slaap zou zijn.

Jezus vierde met Zijn discipelen het Pascha in de bovenzaal (Luc. 22: 12-14). Midden onder de plechtigheid, terwijl de discipelen met hun Meester om de tafel verenigd waren, verliet Judas hen, ging naar het Sanhedrin en ontving zijn dertig zilverlingen. Toen begon Jezus Zijn apostelen openlijk te spreken over alles wat Hij van de overpriesters te lijden zou krijgen, dat Hij gekruisigd zou worden, en ten derden dage zou opstaan uit de doden. Hierna begaf Hij zich met hen naar de Olijfberg, en vroeg drie van Zijn discipelen bij Hem te waken terwijl Hij bad in Gethsémane. Het uur naderde en kort na middernacht kwam daar een grote schare van tempelwachters, die Judas ter beschikking gekregen had, met dienaars van de overpriesters, voorzien van lantaarns, fakkels en wapenen (Joh. 18: 3).

Jezus sprak tot hen: “Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen? Dagelijks zat Ik in de Tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen” (Matth. 26: 55).

Het was tegen de wet iemand na zonsondergang te arresteren, tenzij hij op heterdaad betrapt werd. Anders was de misdadiger volkomen veilig tot de volgende dag. Zelfs dán mocht hij slechts door de getuigen worden gevangengenomen. Daarbij werd Jezus feitelijk gearresteerd door Judas en op diens aansporing. Dit was voor de Wet ongeldig, zoals we lezen in Leviticus 19 :16: “Gij zult onder uw volksgenoten niet als een lasteraar rondgaan. Gij zult uw naaste niet naar het leven staan: Ik ben de Heer”.

Een getuige moest iemand zijn van onbesproken karakter en mocht niet omgekocht zijn. Een medeplichtige of een betrokkene bij de zaak kon onder geen enkele omstandigheid getuige zijn. Zo kon Judas noch getuigen, noch arresteren, omdat hij bij Jezus’ volgelingen behoord had en dus een verrader en lasteraar was.

Volgens de Mozaïsche en Talmudische Wet, bestond er geen voorafgaand verhoor. Een vóórverhoor was een gruwel voor de Wet. Dat men Jezus in de nacht ter ondervraging voor Annas bracht, was absoluut tegen de Wet, ten eerste omdat het nacht was, en ten tweede omdat niemand het recht had de beschuldigde of een getuige zo te ondervragen. De Raad van Onderzoek in het Sanhedrin moest bestaan uit drie tot zeven mannen en niemand kon dit op eigen houtje doen.

Bij de Wet was ook bepaald dat niemand zichzelf schuldig kon verklaren, met andere woorden dat hij niet gestraft kon worden of een straf kon aanvaarden op zijn eigen bekentenis. Er waren hiervoor minstens twee of drie getuigen nodig volgens de Wet van Mozes (Deut. 17: 62 19 : 15~ Numeri 35 : 30). Jezus kende de Wet en wees Annas hierop toen Hij zei: Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken, Ik heb voortdurend in de Synagoge geleerd en in de Tempel. … Waarom vraagt gij Mij? Vraag hun, die gehoord hebben wat Ik tot hen gesproken heb” (Joh. 18 : 20, 21). Jezus wist dat de Hogepriester geen recht had Hem alleen te verhoren en ook niet zonder de toestemming van het Sanhedrin. Hij wist verder dat er minstens twee getuigen moesten zijn voordat men een vonnis kon uitspreken.

Behalve dat de arrestatie onwettig was geschied, en dat dit verhoor door Annas en Kajafas tegen de Wet was, mocht ook het Sanhedrin niet in de nacht bijeenkomen. Voor het morgénoffer bij zonsopgang in de Tempel mocht dit niet gebeuren (Matth. 26 : 57).

Op de dag voor de Sabbat mocht er geen rechtspraak zijn. Naar de Joodse Wet wordt een dag gerekend van zonsondergang tot zonsondergang op de volgende dag. Daarom is de arrestatie van Jezus en zijn verhoor door Annas en Kajafas niet alleen onwettig geweest, omdat het nacht was, maar ook omdat het op de dag vóór de Sabbat was.

Er was nóg een reden. Geen rechtspraak mocht gehouden worden op een feestdag, en in, de Paastijd was iedere dag een feestdag.

Ieder geding voor het Sanhedrin bestond uit twee bijeenkomsten met één dag tussenruimte. Na het eerste verhoor moesten de leden van het Sanhedrin vasten en in hun eigen huizen bijeenkomen om de zaak nog eens van alle kanten te beschouwen om indien mogelijk verlichtende omstandigheden te vinden om de beschuldigde vrij te spreken.

Als zij dan de volgende dag na het morgenoffer weer samenkwamen in de “Zaal van gehouwen Stenen”, zetten zij zich voor het tweede geding. Er waren drie griffiers. Een noteerde alles in het voordeel van de beschuldigde, de ander wat tegen hem getuigde, terwijl de derde het hele verhoor opnam. De aangeklaagde stond tussen de twee eerste griffiers, tegenover de derde.

De getuigen werden ieder apart voor het Sanhedrin geleid. In onze dagen kan de een over één bepaald feit getuigen en de ander over iets ‘anders, maar in Israël moest iedere aanklager de hele historie vertellen en het hele geval van het begin tot het eind met eigen ogen hebben zien gebeuren.

Aan iedere getuige werd eerst de datum, de dag en het uur gevraagd waarop het misdrijf plaatsvond, en iedere bijzonderheid moest nauwkeurig met de tijd erbij weergegeven worden. Als er drie getuigen waren, en wat zij ieder afzonderlijk verklaarden niet in ieder opzicht klopte, werd de beschuldigde als “onschuldig” vrijgesproken.

Wat wij lazen in Deut. 17 : 6~ 19 : 15 en Num. 35 : 30 heeft Jezus ons ook geleerd: “Op de verklaring van twee getuigen of van drie staat elke zaak vast” (Matth. 18 : 16).

Van schriftelijke getuigenissen was geen sprake, want brieven kon men in een gericht niet gebruiken. Er werd geen eed afgenomen, omdat Joden Gods naam niet mogen gebruiken en hier dus afwijzend tegenover staan.

Nadat alle aanklagers gehoord waren, begon de verdediger zijn pleidooi en als zo allen gesproken hadden, volgde discussie. Maar het Sanhedrin moest blijven zwijgen totdat één van hen opstond om iets te zeggen ten gunste van de beschuldigde. Indien dit niet gebeurde was discussie verder uitgesloten. Maar was dit wèl het geval, dan kon een ander er tegenin gaan. Ieder die dan sprak moest eerst een rechtsgeldige reden opgeven voor zijn houding tegenover beklaagde.

Hierna werd er gestemd. Volgens de Wet mocht de Hogepriester nooit zijn opinie ten beste geven, of de getuigen en de beklaagde ondervragen. Het lag niet aan hem, iemand schuldig te verklaren of onschuldig. Hij had absoluut te zwijgen. Het stemmen van de Hogepriester werd bewaard voor het allerlaatst. Met het oog op zijn hoge post en zijn invloed vond men dat hij zijn oordeel moest opschorten totdat de laatste gesproken had. Niemand kon zijn stem anders uitbrengen dan in overeenstemming met hetgeen hij tevoren gesproken had, óf het moest zijn ten gunste van de beklaagde voor vrijspraak.

Beginnende bij het jongste lid van het Sanhedrin, nam men eerst de stemmen op van hen die aan de kant van de beklaagde stonden, daarna van hen die tegen hem waren. Bleek het dat allen de man schuldig verklaarden, dan bepaalde de Wet dat het rechtsgeding ongeldig was, en dat de beklaagde vrijgelaten moest worden. Want volgens de Talmud moest de man minstens twee stemmen in zijn voordeel hebben, en was dit niet het geval, dan moest hij vrijgesproken worden. Voor een schuldigverklaring was een meerderheid nodig van minstens twee stemmen.

Indien het Sanhedrin half om half stemde, was de beschuldigde vrij.

Na de stemming werd de zitting opgeheven. De volgende dag na vasten, bidden en ruggespraak, kwam men na het morgenoffer opnieuw bijeen om het geding van de vorige dag nog eens na te gaan om zo mogelijk nog iets te vinden om de aangeklaagde vrij te spreken, indien de opinie niet veranderd was, moest de terechtstelling onmiddellijk, voor zonsondergang, plaatsvinden. De gerechtsdienaars van het Sanhedrin voerden de doodstraf niet uit, maar het waren de getuigen die als eersten de hand tegen hem moesten keren om hem ter dood te brengen, daarna de hand van het gehele volk (Deut. 17 : 7). Maar nóóit de handen van de rechters!

Het was niet nodig dat alle zeventig leden van het Sanhedrin aanwezig waren voor een rechtspraak. Drieëntwintig waren voldoende om een wettig besluit te nemen. Nadat Annas Jezus verhoord had, zond hij Hem naar Kajafas. Wij weten niet of het hele Sanhedrin aanwezig was of slechts een deel van hen. Het was na middernacht. Kajafas ondervroeg Jezus, maar Deze zweeg. Boos en teleurgesteld verloor de Hogepriester zijn bevoegdheid, die hij heel goed kende, uit het oog. Hij had immers het recht niet getuigen te verhoren en zijn eigen opinie te uiten! In strijd met de Wet ondervroeg hij Jezus voordat de getuigen waren verhoord en bezwoer Hem onder ede iets te verklaren: Jk bezweer U bij de levende God dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zoon van God” (Matth. 26 : 63). En omdat Jezus zichzelve niet kon verloochenen, antwoordde hij: “Gij hebt,het gezegd.. .” Terwijl het de Hogepriester wettelijk verboden was zijn opinie te uiten, scheurde Kajafas zijn klederen en zei: “Hij heeft God gelasterd. Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?” Zij antwoordden: “Hij is des doods schuldig” (Matth. 26: 64-66, Mare. 14: 63, 64, Luc. 22 :70,~ 71). Zoals wij eerder opmerkten, mocht in het Sanhedrin niemand iets ten nadele van de beklaagde zeggen, voordat er een ten zijnen gunste gesproken had. Daar er niemand van het Sanhedrin aan de kant van Jezus stond, had Hij volgens de Wet vrijgelaten moeten worden.

De Wet zou hier geëist hebben dat men Jezus gevraagd had te bewijzen dat Hij de Messias was, naar Wie heel het volk immers uitzag. Waren bij Zijn geboorte de wijzen uit het Oosten niet aan Herodes komen vragen waar de Koning der Joden geboren was? Deze had de overpriesters en schriftgeleerden bijeengeroepen en hun gevraagd waar de Messias geboren moest worden (Matth. 2 : 1-6). Zij wisten toen dat de tijd hiervoor rijp was. Daarom had het Sanhedrin Jezus ernstig moeten ondervragen over deze feiten, zoals geschreven staat: ” … dan zult gij terdege onderzoek doen en grondig navragen” (Deut. 13 : 14). Volgens de Wet en de regels van het geding hadden zij de woorden van Jezus voor waar moeten houden, totdat zij deze hadden kunnen weerleggen. Het was de taak van het Sanhedrin in dit rechtsgeding uit te maken dat Jezus zich iets aanmatigde, of anders hadden zij Zijn verklaring moeten aannemen dat Hij de Messias was. Er bestaat geen twijfel of Jezus zou bewezen hebben dat Hij de Christus is. ,

Het Sanhedrin deed de Wet ook nog op een ander punt geweld aan, toen men Jezus in het gelaat spuwde en Hem sloeg. Zij deden Hem lichamelijk geweld aan (Marc. 14: 65). Geen rechter mocht zijn hand leggen noch op een getuige, noch op een beklaagde, en hem in geen enkel opzicht mishandelen.

Kajafas overtrad nog op een andere manier de Wet toen hij zijn klederen scheurde. Wij lezen in Leviticus 21 : 10: “De priester die de hoogste is onder zijn broederen, op wiens hoofd de zalfolie is gegoten en die men gewijd heeft door hem de heilige klederen aan te trekken, zal zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn klederen niet scheuren.” Immers zijn priesterkleding was het zinnebeeld van de heiligheid van zijn ambt.

Na een gehaaste samenspreking, wetende dat men Jezus niet zelf ter dood kon brengen (Joh. 18 :31), geleidde men

Hem zo vroeg mogelijk naar de rechtzaal van Pilatus (Matth. 27: 1~ 2, Marc. 15: 1, Luc. 23 : l).

In de zaal van het Hoogste Gerecht, tegenover de Ro~ meinse stadhouder, werden er tegen Jezus beschuldigingen van heel andere aard naar voren gebracht! Nu sprak men niet langer over theologische kwesties, maar Jezus was een verrader tegenover het volk en de Staat: “Wij hebben bevonden dat Deze ons volk verleidt doordat Hij verbiedt de keizer belasting te betalen en van Zichzelf zegt dat Hij de Christus, de Koning is (Luc. 23 :2). Zij wisten maar al te goed dat de eerste bewering in volkomen tegenspraak was met Jezus’ leer: »Geef de keizer wat des keizers, en Gode wat Gods is”. Maar waar zij Hem ook van zouden beschuldigd hebben, alles zou leugen geweest zijn! Immers Hij was het “Lam, onberispelijk en vlekkeloos” (I Petrus 1 :19). Doch zij begrepen dat niets de stadhouder meer zou treffen dan juist deze aantijging, en dat was precies wat zij nodig hadden.

Nadat Pilatus de zaak had uitgezocht, sprak hij zijn oordeel uit: “Onschuldig” en dit verscheidene malen (Matth. 27 : 23, Mare. 15 : 14, Luc. 23 : 4, 14, 22, Joh. 18 : 38, 19 : 4, 6). Maar hij had te rekenen met de “menigte” die het leven van Jezus eiste. Deze menigte bestond niet uit de inwoners van Judea, Samaria en Galilea, want die kenden Jezus en hadden Hem lief. Maar het waren de Joden uit omliggende landen: Europa, Klein-Azië, Perzië, Griekenland en Afrika, die jaarlijks voor het Paasfeest naar Jeruzalem kwamen, in veel groter getal dan op het Pinksterfeest, waarover we lezen in Handelingen 2. Deze, die de Hogepriester beschouwden als de hoogste autoriteit in Jeruzalem, hadden nauwelijks iets gehoord over het leven en de werken van Jezus.

Josephus, de Joodse geschiedschrijver, meldt dat op een van die Paasfeesten de Hogepriester het overzicht kreeg van het aantal geslachte Paaslammeren en dat dit er niet minder waren dan 256.500. Daar volgens de Wet minstens tien personen van één lam moesten eten, kan men aannemen dat er toen zeker 2.565.000 feestgangers in Jeruzalem moeten geweest zijn, en waarschijnlijk meer. Een groot aantal buitenlandse Joden waren niet op de hoogte van Jeruzalem’s interne aangelegenheden, en deze zullen voornamelijk de “schare” gevormd hebben, die zich liet overhalen de priesters bij te vallen tegenover Pilatus. Deze slappe, weifelende figuur, bevreesd dat men hem in discrediet zou brengen aan het keizerlijk hof, gaf Jezus over om gekruisigd te worden (Matth.. 27 :20-26, Marc. 15 :15, Luc. 23 :16-25, Joh. 19 :12-16).

Met het bovenstaande hebben wij voldoende bewezen dat het rechtsgeding over Jezus onwettig is geweest van het begin tot het eind. En dit is de reden dat er, buiten de Evangeliën, nooit iets van is opgetekend. Het Sanhedrin, zich volkomen bewust tegen de Wet gehandeld te hebben, paste er wel voor op hiervan een verslag te doen opnemen. Met schending van de Joodse Wet werd Jezus vermoord door een beginselloze, gewetenloze en jaloerse priesterkliek, die hun Romeinse stadhouder onder bedreiging dwong hun zin te doen: Indien gij Deze loslaat, zijt gij geen vriend van de Keizer!” (Joh. 19 : 12). Zo hielp hij hen hun bloeddorstige daad ten uitvoer te brengen, de grootste misdaad in de geschiedenis der mensheid.

Updated: 23/08/2016 — 08:10

Psalm 22

Psalm 22 dit psalm gaat in zijn geheel over het lijden en sterven, maar ook over de opstanding van de Here Jezus.

  1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.
  2. Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, de woorden mijns brullens?
  3. Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
  4. Doch Gij zijt heilig, wonende de lofzangen Israels.
  5. Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
  6. Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
  7. Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
  8. Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd:
  9. Hij heeft op den HEERE gewenteld, dat Hij hem uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
  10. Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.
  11. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
  12. Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.
  13. Vele varren hebben mij omsingeld, sterke van Basan hebben mij omringd.
  14. Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, een verscheurende en brullende leeuw.
  15. Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
  16. Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
  17. Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
  18. Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
  19. Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
  20. Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
  21. Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.
  22. Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
  23. Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.
  24. Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!
  25. Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
  26. Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.
  27. De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
  28. Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
  29. Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.
  30. Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.
  31. Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten.
  32. Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.

En inderdaad, bij het lezen van deze Psalm zie wij dat heel wat uitspraken die hier in voorkomen, bekend zijn omdat ze door de Here Jezus Zelf gesproken worden aan het kruis, en daardoor zijn ze ons bekend geworden. het kan niet anders of we moeten bij het lezen van deze Psalm ons meteen vanaf het begin ons realiseren dat deze Psalm gelegd wordt in de mond van onze Here Jezus. Die begint meteen als in vers 2 met Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, enz. Het is duidelijk dat, dat een aanhaling is van de woorden die gelegd worden in de mond van de Here Jezus. Of andersom, je kunt natuurlijk ook zeggen, de woorden die de Here Jezus sprak aan het kruis waren aanhalingen uit Psalm 22. Maar het neemt niet weg, dat dan blijkbaar Psalm 22 daar ook dan voor bestemd was.

Er zijn nogal wat verhalen in omloop, uiteraard, over deze Psalm. Er is nogal wat over te zeggen, juist omdat het een Psalm is die zo duidelijk, tot in de details het lijden van de Here Jezus beschrijft. Begrijpt u mij goed, er zijn vele Psalmen, niet maar enkelen zoals sommigen denken, maar er zijn zelfs vele Psalmen die een beschrijving geven, min of meer, van het lijden en in ieder geval de dood van de Here Jezus. Maar als er één bij is, die uitdrukkelijk spreekt over het lijden aan het kruis, is het juist deze Psalm omdat hier details in genoemd worden die we verder nergens tegenkomen en die op eenvoudige wijze verklaard worden wanneer we zien dat hier gesproken wordt over de kruiziging van de Here Jezus. Dat lijdt dus inderdaad geen enkele twijfel. Dergelijke schriftgedeelten zijn er overigens meer, die schriftgedeelten namelijk in het oude Testament die in verband gebracht worden met het lijden van de Here Jezus. Maar als er één zo’n schriftplaats is, in het Oude Testament, dan is het ongetwijfeld deze.

’t Is overigens niet zo bekend als Jesaja 53. Meestal denken wij aan Jesaja 53 als gevraagd wordt, noem eens een schriftgedeelte in het Oude Testament, waar het lijden dat op Christus zou komen, beschreven wordt. Maar samen met Jesaja 53 is dit schriftgedeelte toch wel het meest bekende. ’t Eigenaardige doet zich ook voor, om maar weer eens vast te stellen, dat net als Jesaja 53 deze Psalm geen plaats vindt in de lezing van het Oude Testament in de Synagoge. Daar moet ik meteen een voorbehoud bij maken. ’t Is namelijk zo dat in het Jodendom de Bijbel, dat wil zeggen hun Bijbel, het Oude Testament verdeeld is in verschillende delen die in de loop van één jaar in de Synagoge worden voorgelezen. Zodat het de bedoeling is dat het gehele Oude Testament in de loop van één jaar voorgelezen wordt. En daartoe is het ingedeeld, dat is een gebruik wat wij trouwens binnen het Christendom ook kennen, dat de Bijbel ingedeeld wordt in stukken die men dan dagelijks zou moeten lezen om in een bepaalde tijd de hele Bijbel door te lezen. Meestal haalt men dat niet in één jaar. Maar dat komt natuurlijk omdat wij het Nieuwe Testament ook moeten lezen. Maar in ieder geval het Jodendom heeft dat wel, maar ik moet er meteen bij zeggen dat er verschillende indelingen bestaan en dat niet overal temidden van het Jodendom methodiek wordt gehandhaafd. Maar in ieder geval is bekend, dat in de meest gebruikelijke verdeling van het Oude Testament, zowel Jesaja 53 als Psalm 22 ontbreken. Dat wil zeggen, men claimt dan in één jaar tijd, het Oude Testament te hebben uitgelezen, officieel in de Synagoge, maar in de praktijk blijkt dat onder andere Jesaja 53 en Psalm 22 niet gelezen zijn.

Nou kan het best zijn dat er iemand zegt: maar ik weet een Synagoge waarin ze dat wel lezen, dat zou ook best kunnen, maar dan gebruikt men kennelijk een andere indeling, maar het is van oudser bekend dat men name deze gedeelten die zo uitdrukkelijk spreken over het lijden van de Messias, dat men die domweg weglaat, eenvoudig omdat men er geen verklaring voor heeft. Men weet niet wat men met deze schriftgedeelten moet beginnen. Want, natuurlijk, wanneer er naar gevraagd wordt dan zal er altijd wel een verhaal komen. Maar dat is dan natuurlijk nog niet de verklaring. Het Jodendom leert bijvoorbeeld dat je Jesaja 53 over het schaap dat stom is voor zijn scheerders, enz. Een schaap wat ter slachtbank geleid wordt. Dat, dat Jesaja 53 spreekt over het lijden wat over Israël, het Joodse volk, zou komen. Maar wanneer men daar naar vraagt: “Nou, verklaar het dan eens nader, wat betekenen die verzen dan, precies?” Niet in zijn algemeenheid, maar wat betekenen die verzen stuk voor stuk? Dan zal blijken dat men het antwoord schuldig blijft. En de reden daarvoor is duidelijk genoeg. Het slaat namelijk niet op Israël, zodanig. Gedetailleerd, dus alle delen, is het van toepassing op het lijden van de Messias zelf, de Here Jezus uiteraard. En dat is met Psalm 22 in nog veel sterkere mate het geval, want zoals gezegd, wij vinden geen schriftgedeelte, wat gedetailleerder, de kruiziging van de Here Jezus beschrijft, en daarbij, denk ik inderdaad ook aan het Nieuwe Testament, want de beschrijving van de kruiziging van de Heer in het Nieuwe Testament is een beschrijving van op afstand, dat wil zeggen er wordt gewoon kort medegedeeld wat er zoal gebeurdde zonder dat de schrijvers van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes daar helemaal direct in emotioneel bij betrokken raken, ze beschrijven het nogal op afstand. Iedereen die het verhaal leest, die zal dat moeten toegeven, want niemand van die allen houdt zich bezig met wat er werkelijk in de Here Jezus omging. Nou, een beetje maar bepaald niet erg veel. Maar het moet duidelijk zijn dat deze Psalm wél uitdrukking geeft aan de situatie van de Here Jezus zelf aan het kruis. Hier wordt niet beschreven hoe het allemaal gebeurdde, maar hier wordt wel Zijn lijden als zodanig beschreven en van Hem Zelf uit, want Hij Zelf is hier aan het woord. Hier zijn niet de toeschouwers aan het woord, maar hier is Hij Zelf aan het woord. En dat begint dan ook meteen in vers 2.

Laat ik even bij vers 1 beginnen. de eerste moeilijkheid van deze Psalm is het opschrift, maar dat is een moeilijkheid die zich bij vele andere Psalmen ook voordoet, men weet namelijk gewoonlijk niet goed raad met opschriften als voor de opperzangmeester en ook niet met zo’n uitdrukking als op Aijeleth hasschachar. En dat men daar geen raad mee weet, dat is duidelijke, want anders zou men het wel vertaaald hebben, maar in plaats daarvan heeft men het in het Hebreeuws laten staan. Dat is altijd een teken van dat men niet precies begrijpt wat men er mee moet, en uit respect voor de Heilige Schrift, hebben de vertalers het dan maar gewoon laten staan. Dan kunnen we daarna altijd nog zien. En zo hoort het ook eigenlijk. Dat is heel goed gedaan, maar één van de verklaringen van deze moeilijkheid die wordt verteld meestal niet alleen in verband met deze opschriften, maar er wordt gezegd dat deze opschriften in werkelijkheid helemaal geen opschriften zijn, maar naschriften bij de vorige Psalmen, bij de voorgaande Psalmen. Dat zou betekenen dat dit Aijeleth hasschachar en voor de opperzangmeester geen toevoegingen zijn bij Psalm 22 maar bij Psalm 21. Dat is een gedachte toch ook in onze kring nogal uitgebreid in omloop is. Persoonlijk heb ik daar mijn sterke twijfels over, kort gezegd het lijkt me niet het geval te zijn. ‘k Zal u ook zeggen hoe of dat komt. In de eerste plaats dit opschrift een Psalm van David, daar hebben we niet de minste moeite mee, dat maakt dus ook niks uit, of het nu onder Psalm 21 staat of boven Psalm 22. De Psalmen zijn allebei van David, dus dat maakt verder geen verschil. Dat het is voor de opperzangmeester, och daar kun je over discussiëren, maar je komt er niet zover mee. De gedachte is namelijk dat als er bij staat, dat het is voor de opperzangmeester, dat het dan de bedoeling is, dit stuk muziek, want dat is een Psalm toch ook, dat het zou moeten opgevoerd of uitgevoerd moet worden in publiek. Dat wil zeggen dat het dan voor publiekelijke uitvoering bestemd is, en als het er niet bij zou staan, als het voor de opperzangmeester is, zou het bestemd zijn voor persoonlijk gebruik of persoonlijke studie. Nou, als we nou inderdaad het opschrift voor de opperzangmeester beschouwen als een onderschrift van Psalm 21, blijkt inderdaad, dat aangezien een dergelijk opschrift ontbreekt in Psalm 23, deze 22e Psalm dan dus niet voor de opperzangmeester bestemd zou zijn en dus voor privégebruik. Maar goed, het praktische verschil daarvan ontgaat mij dan toch want onder alle omstandigheden is het bestemd voor degene die er in geïnteresseerd is ongeacht of het nu publiekelijk wordt uitgevoerd of gezongen, of dat men het thuisgebruikt, dat wil zeggen zo’n belangrijk verschil maakt dat niet uit. En dan is er nog wat anders, want daar kom ik bij dit opschrift waar staat op Aijeleth hasschachar. men verondersteld dat daarmee een verwijzing gegeven wordt naar een oudere, een ouder muziekstuk, een ouder lied, een oudere melodie zegt men. En dit Psalm zou dan gezongen moeten worden op de wijs van het reeds bestaande soort muziek onder de naam van Aijeleth hasschachar. Nou zou dat best kunnen, dat weet ik dus niet, maar dat maakt ook niks uit, want als dat zo is, dan hebben we dat stuk muziek tóch niet, dus we kunnen er toch niks mee beginnen. Daar schieten wij dus niks mee op. Maar nou het volgende, dat, dat Aijeleth hasschachar, dat betekent dus letterlijk “De hinde van de dageraad”, zo is het ook in nieuwere vertalingen vertaald, dacht ik. De hinde, Aijeleth is namelijk een hinde, van Aijal, dat is namelijk een hert, een mannelijk hert, en Aijeleth is dan de vrouwelijke vorm van het woord, is het een vrouwelijk hert, en dus een hinde. En hasschachar is ‘de’, dat ‘ha’, dat betekent dus ‘de’, en ‘sschachar’ dat staat voor dageraad. Zó wordt het altijd vertaald, maar daar krijgen we de moeilijkheid van het verhaal. Men vertaald het namelijk met dageraad, en komt dan vervolgens tot de ontdekking dat het begrip dageraad eigelijk niet zo’n belangrijk begrip is in Psalm 22 omdat daar eigelijk meer gesproken wordt over de duisternis dan over de dageraad. En dat is een van de belangrijke argumenten die gebruikt wordt om te verklaren dat dit niet een opschrift is boven Psalm 22, maar een onderschrift onder Psalm 21. Wat er nog bijkomt dat, wij zeggen gewoon, já, maar het is toch vers 1 van Psalm 22. Já, dat kan wel zijn, maar zodra je een Engelse Bijbel neemt zult u zien dat de vers-aanduiding1 vers verschilt, en dat wat wij kennen als Psalm 22 vers 1, dat is bij hen helemaal geen bijbelvers. Het wordt wel afgedrukt, maar het wordt helemaal niet genummerd. Dus Psalm 21 eindigt met, laten we maar zeggen vers 14 Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven.Daar eindigt dan Psalm 21. Dan krijgt men het opschrift of de woorden: Een Psalm voor David voor de opperzangmeester voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar. En dán begint vers 1 van Psalm 22, zo hebben de Engelsen het in hun Bijbel staan. En de Amerikanen dus ook, en alle Engels sprekende landen. En ik denk wel eens dat het veruit grootste gedeelte van de Christelijke, zogenaamd Christelijke wereld, inderdaad Engels sprekend is, dat, dat het meest bekende is, eigelijk. En in onze computerprogramma’s waar de Bijbel helemaal in staat, komt het hele vers dus niet voor, omdat daar de verzen ingebracht zijn, hangend aan het versnummer, het zou dus moeten zijn Psalm 22 vers 1 maar dan kom je terecht in wat bij ons vers 2 is. Want Psalm 22 vers 0 bestaat niet en zijn dus de makers van het computerprogramma gedwongen geweest om het vers er zelfs helemaal uit te laten.

Dat is heel merkwaardig, een heel vreemd verschijnsel, zodat de Engelsen inderdaad die woorden van Psalm 22 vers 1 hebben hangen tussen de 21e en de 22e Psalm. Je kunt dus kiezen, hoort het nu bij de 22e? Is het daar een opschrift van of is het onderschrift van de voorgaande. Nou en in onze Bijbel staat het als opschrift van de volgende en dus zijn er anderen die zeggen, nou dan zal het wel fout wezen. ’t Zal dus wel het onderschrift zijn van de voorgaande. En dan heeft men dan sommige argumenten voor, maar eerlijk gezegd vind ik ze niet sterk, want in de eerste plaats, zo’n kreet als voor de opperzangmeester, dat wil zeggen een soort adressering van zo’n Psalm, die zou je toch niet verwachten onderaan een Psalm maar juist erboven. Kijk maar in uw zangbundel, koop maar een stuk muziek ergens, koop maar een plaat, en u zult zien dat meteen bij de titel staat wat de bedoeling is van het stuk, wie het gemaakt heeft. Dat staat bovenaan uiteraard, en voor wie het bestemd is, en wie de rechten heeft, enz., en toelichting hoe het gezongen zou moeten worden. Niet te snel, niet te langzaam of gevoelig, of moderato, of adante, want dan wordt het ineens Italiaans of zoiets, hé? Maar goed, dat staat er normaal boven. Dat lijkt me ook vanzelfsprekend want voor dat je het gaat zingen, zou je toch moeten weten hoe of het moet, en dat zou er dan boven moeten staan. Dus dat lijkt mij het meest waarschijnlijke.

En het werkelijk belangrijke argument wat men altijd gebruikt is dat van de hinde van de dageraad en men zegt dan wel dat de Psalm spreekt helemaal niet over de dageraad, dan kan ik daar twee dingen bij opmerken die daarmee in strijd zijn. Het eerste is namelijk dat het Psalm zeker wel spreekt over de dageraad want slechts de eerste helft van de Psalm spreekt over duisternis, om het eens zo te zeggen. De eerste helft van de Psalm  spreekt namelijk over het lijden en uiteindelijk ook het sterven natuurlijk van de Here Jezus, spreekt over Zijn kruiziging. Dat is de eerste helft van de Psalm, ik zal het straks wel even nauwkeuriger geven. Maar de tweede helft van de Psalm, die spreekt toch wel degelijk over de opstanding van Christus. Dus wel degelijk het aanbreken van een nieuwe dag. En dat heeft wel degelijk iets dus met dageraad te maken, ook via het Nederlands. Maar dat is één argument. En als men zegt van; ja ’t is ‘hinde van de dageraad’ maar dit is geen dageraad. Dan zeg ik, dan is het wél dageraad, want dageraad is juist dat de duisternis verdwijnt en het licht komt, en dat zie je precies in deze Psalm. Het begint met de duisternis, het begint met de kruiziging en het eindigt met de opstanding, dus inderdaad licht, het licht worden.En zelfs letterlijk was het duister tijdens de kruiziging en zelfs letterlijk werd het licht bij de opstanding, al was het dan drie dagen later, officieel. Dus dat argument blijft niet staan en het volgende argument wat ik u nog geef is nog veel sterker dat is namelijk dat, dat sschachar, wat men dan vertaald met dageraad, dat betekent heus niet dat het licht wordt, dat is een misverstand, dat hebben ze er van gemaakt maar dat betekent het niet. Sschachar betekent namelijk niet dat het licht wordt, sschachar betekent dat het nog helemaal niet licht wordt, of dat het licht worden nog uit blijft. Het heeft dus wel iets met licht worden te maken maar het drukt niet uit licht, maar het drukt juist uit duisternis. Het verhaal is dat sschachar de aanduiding is voor de morgen, voor de dageraad maar het is dan het gedeelte van de nacht wat wij noemen de na-nacht, het zou gelegen zijn, als ik de klokuren erbij zou moeten zeggen, van 12 uur ’s nachts tot 6 uur ’s morgens, dat wil zeggen van middernacht tot aan zonsopgang. ’t Is de tweede helft, en dus de duisterste, meest duistere helft van de nacht. Dat is het. In plaats van dat het licht is zoals de vertaling dikwijls doet vermoeden, is het juist de diepe duisternis die aan het licht vooraf gaat. En niemand kan ontkennen dat, dat precies het gewicht is van deze Psalm.Het spreekt namelijk in de eerste plaats met de grootst mogelijke nadruk over de kruiziging van de Here Jezus. Een grotere nadruk hebben we eigelijk nergens gevonden, dus spreekt met de grootst mogelijke nadruk over de duisterste uren uit de geschiedenis van de mensheid en uit de geschiedenis van de Here Jezus Zelf. En daarna komt uiteindelijk toch het licht.

Dus, met andere woorden, dat begrip sschachar aan het begin van de Psalm drukt exact uit de inhoud van de Psalm, en dat lijkt mij het argument om het dan maar gewoon te laten staan als het er staat, als opschrift namelijk boven Psalm 22, of als inleiding tot Psalm 22. Waarbij ik dan ook meteen maar even spreek over die hinde. Er zijn wat merkwaardige verklaringen over in omloop, dat sschachar heeft men abusievelijk opgevat als de morgenstond, als het ’s morgens licht wordt, en dan zegt men, kijk dan komen de eerste lichtstralen ’s morgens en die worden dan vergeleken met horens van een hinde, daarom de hinde van den dage. De eerste lichtstralen van het eerste licht ’s morgens.

En punt 1, dan moet je toch wel een erg groot dichter zijn om tot zulke gedachten te komen, maar het waren hele geleerde mensen die het hebben uitgedacht. Maar ik persoonlijk vindt het belachelijk. Ik heb meermalen de zonsopgang toch wel zien gebeuren, meestal als het gebeurdde, was het omdat ik helemaal niet naar bed geweest was, maar daar gaat het nou even niet over, maar om nou te zeggen dat, dat vergelijkbaar was met het gewei van een hert, dat is wel zoiets ver gezocht. dat is het dus niet. Het is niet dichterlijke taal, het is symbolische taal. Het gaat hiuer namelijk om diezelfde hinde, of om hetzelfde hert als bijvoorbeeld uit Psalm 42, namelijk het hijgend hert. het is hetzelfde woord, alleen is het daar een mannelijk hert, hier is het een vrouwelijk hert, maar verder is het hetzelfde woord, en dat mannelijke hert komt niet alleen voor in Psalm 42 in verband met het hijgend hert der jacht ontkome, maar het wordt ook genoemd bijvoorbeeld in Hooglied 2 vers 17 en Hooglied 8 vers 14 waar het een beeld is van de Messias Zelf. En dat is ongetwijfeld ook in Psalm 42, want het hijgend hert der jacht ontkome is heus niet ik, u ook niet, denk ik. Dus is het de Here Jezus.Want dat opgejaagde hert een beeld van de Heer zelf. Het enige verschil is dat het hier gaat om een vrouwelijk hert maar laat u dat niet afleiden want of je nu een var hebt of een vaars, als het geofferd wordt onder Israël is het in elk geval een beeld van de Here Jezus. Dat kan dus een var, namelijk een stier zijn, kan ook een vaars, namelijk een koe zijn, dat hangt er vanaf over wat soort offer we het even hebben maar niettemin blijft het een beeld van de Heer zelf.Want het vrouwelijke is altijd een uitbeelding van de schepping zelf en als de Heer wordt uitgebeeld als onderdeel van de schepping, als iemand die vlees en bloed heeft aangenomen, en de broederen gelijk is geworden, gelijk vlees en bloed heeft aangenomen, zal ik maar zeggen, dan wordt hij voorgesteld, inderdaad als de vaars, en in dit geval zelfs als de hinde, als vrouwelijk dus. Niet omdat Hij vrouw is want er zijn wel meer dingen, die wel vrouwelijk zijn maar bepaald geen vrouw. Ja, ik heb een jaar of zeven Franse les gehad en ik heb het daarin bijzoinder ver gebracht, ik heb zeker een stuk of tien woorden geleerd in die jaren, en daar waren inderdaad vrouwelijke woorden bij. Wij begrepen ook niet wat dat was, toen. Niemand heeft het nooit kunnen uitleggen in die tijd, maar niettemin bestaat dat. Vrouwelijke dingen zonder dat het een vrouw is, en dat is hier natuurlijk ook het geval, want deze hinde, dit vrouwelijk hert is wel degelijk een beeld van de Here Jezus. En wel dit hert is hierin de grootst mogelijke duisternis, het wordt opgejaagd, het is verdwaald, het is verlaten, het is geen nachtdier overigens.. maar daarom komt het wel eens voor dat het dwalen is in de nacht. En daar gaat het hier over, het is een beeld van de Here Jezus in Zijn lijden als onderdeel van de schepping, als mens, zelfs minder dan een mens, staat er een paar verzen verder, waarin Hij in deze duisternis aan Zichzelf, aan Zijn eigen lot, aan Zijn eigen omstandigheden was over gelaten. Dát is duisternis! Dan is men nergens meer op aangewezen, dan op zichzelf, dan is er dan niks anders, althans er is niks anders te zien, en dat is wat hier aan de orde is. Zodat het opschrift boven die Psalm helemaal geen enkel probleem oplevert wanneer we gewoon zien waar deze dingen in de Bijbel de uitdrukking van zijn.

Er zijn wat andere verklaringen uitgedacht in de loop der tijd zoals bijvoorbeeld dat Aijeleth hasschachar een dichterlijke aanduiding was van bijvoorbeeld de wolkkolom. Ja hoe men daar aan komt, ik weet het ook niet, er worden altijd dure namen bij genoemd van soms Joodse geleerden of Rabbi’s, soms ook christelijke geleerden, maar eh, ja daar heb ik niet al teveel respect voor, want het gaat erom dat deze dingen gewoon spreken over de Heer Jezus Zelf. Hij is Die hinde. Hij is dat hert, de jacht ontkome, Hij is dat hert wat uitbeeldiging is van de bruidegom in bijvoorbeeld het Hooglied.Kortom, gewoon de Messias.

Nou, dan komen we bij de aanhef van het Psalm zelf, namelijk in vers 2: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten.. en meteen moet dan duidelijk zijn dat dit de woorden zijn die de Here Jezus sprak aan het kruis. Als u zo’n Bijbel heb als ik, dan staat het er keurig onder, een verwijzing naar Mattheüs 27 vers 46 en Marcus 15 vers 34, en dat klopt ongetwijfeld, want daar vinden we dat de Here Jezus deze woorden uitspreekt en dat niet alleen maar er zijn veel meer omstandigheden die hier in verband met de Here Jezus genoemd worden en sommige van die woorden, worden ook rechtstreeks weer in de mond gelegd van de Here Jezus. De gedachte is dan ook eigelijk dat niet alleen de Heer hier sommige dingen uit de Psalm zomaar aanhaald, maar dat Hij misschien wel grote delen van deze Psalm, en misschien wel de hele Psalm heeft voorgedragen vanaf het kruis.

U moet goed begrijpen dat wanneer wij de geschiedenis lezen in de Evangelieën dat we daar altijd slechts altijd een deel van de geschiedenis vermeld vinden. En tegen dat het laatste Evangelie, dat van Johannes, z’n eind vindt, zegt Johannes ook in hoofdstuk twintig dat Jezus nog veel meer tekenen gedaan heeft maar als Johannes alles had moeten opschrijven dan zouden alle boeken ter wereld het niet kunnen bevatten. en bij nader inzien den ik dat hij gelijk heeft, het lijkt wat overdreven maar ik denk dat het toch waar is, want het hangt ervan af hoe diep je op de dingen ingaat natuurlijk.Maar het zal wel zo zijn denk ik. Maar in ieder geval is het zo slechts een deel van de geschiedenis gegeven wordt, dingen of details die geschreven zijn opdat wij zouden weten, Wie Hij is, opdat wij Hem zouden herkennen, opdat wij zouden zien dat Hij de beloofde Messias is uit het Oude Testament. Kortom opdat wij in Hem zouden geloven en omdat wij gelovende het leven zouden hebben in Zijn Naam, want zo zei Johannes dat, in hoofdstuk 20 vers 31 of zo, daar in de buurt.

En daarom lijkt het mij helemaal niet te ver gaan wanneer we veronderstellen dat misschien de Heer wel veel meer van deze Psalm indertijd gesproken heeft. Wat er nog bijkomt dat sommige van deze de dingen die hier vermeld staan ook inderdaad rechtstreeks zo plaats vonden. Als er bijvoorbeeld staat: ze gaven mij edik te drinken, dat kan het zelfs wel zo zijn dat niet alleen het indertijd gebeurdde maar dat het gebeurdde omdat het in de Psalm zo staat enb misschioen wel omdat Hij het Zelf voorlas, nou voorlas niet dan, maar hij deed het uit zijn hoofd zal ik maar zeggen. En dat niet alleen want er zijn nog meer dingen die daarbij een rol spelen namelijk het verdelen van de klederen, waarover het lot werd geworpen, staat in vers 19. En dan hebben we bovendien nog vers 9, wat ook een belangrijk vers is, waar staat dat hij heeft het op de Here gewenteld, want dat zeggen de omstanders, dat Hij hem nu uit helpen, dat Hij Hem redde,dewijl Hij lust aan Hem heeft. En daar staat weer een fraaie tekstverwijzing op, en dat klopt precies, dat zijn namelijk de woorden die daar gesproken werden.

En toen ik indertijd in Mattheüs deze dingen tegen kwam dan heb ik me steeds afgevraagd, hoe is het in vredesnaam mogelijk dat die mensen precies zeggen wat er in de Psalm staat. Maar heel voor de hand liggend antwoord op die, ja er zijn twee van die voor de hand liggende antwoorden op die vraag, dat zijn deze. De eerste is God wist het van tevoren en heeft het dus van tevoren opgeschreven; en de andere is dat er werd uit de Psalm gesproken op dat moment en ze zeiden het Hem na. Indien gij Gods Zoon zijt, kom af van dat kruis, dat Die Hem nu helpe, enz.. Precies zoals ’t hier in deze Psalm gesuggereerd wordt. Ik denk dus dat niet alleen vers 2 door de Here Jezus werd aangehaald maar nog veel meer van deze dingen werden aangehaald. Of Hij dat nou Zelf gedaan heeft, of dat omstanders bij het horen van deze woorden uit deze Psalm gedacht hebben, dat weet ik niet, maar ik denk dat deze Psalm veel meer aan de orde is geweest op dat moment dan wij aanvankelijk zouden vermoeden.Bovendien is daarmee verklaard waarom bijvoorbeeld die moordenaar aan het kruis op een gegeven moment tot de Heer zegt, dat hij in de eerste plaats zegt dat Hij onschuldig is, en dat Hij de Zoon van God is, en bovendien zegt hij: Gedenk mijner wanneer Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. Waar haalt die dat nou in vredesnaam vandaan, ineens? Het is hoogst ongebruikelijk dat misdadigers de Bijbel uit hun hoofd kennen of althans weten hoe of het zou gaan met de Messias. En zéker is het hoogst ongebruikelijk dat iemand sowieso, ongeacht wie hij is, zou weten dat de Messias zou lijden om zo Zijn Koninkrijk, namelijk Zijn heerlijkheid binnen te gaan. En toch was het die misdadiger die zei: Here, gedenk mij wanneer Gij in Uw Koninkrijk gekome zij. Nou, het was hoogstonwaarschijnlijk dat iemand die daar aan een kruis hangt een Koninkrijk zou binnengaan, of de man zou hebben moeten geloven in Zijn opstanding. En hoe zou hij daar nou in geloven? Wat het jodendom zelf, het orthodox Jodendom, had niet het minste vermoeden in de praktijk van het lijden dat over de Christus komen zou, alvorens Hij Zijn heerlijkheid zou ingaan. En die moordenaar aan het kruis wél, maar hij heeft het daar aan het kruis niet in zijn bijbeltje kunnen opzoeken.Hoe wist hij dat dan? Nou, het lijkt mij een heel aannemelijke verklaring dat inderdaad Psalm 22 daar gedemaclareerd werd, en het laatste deel van Psalm 22 spreekt daar inderdaad over. Vers 29 Want het koninkrijk is des HEEREN, en wat zei hij? Gedenk mijner wanneer Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. Hij herkende Hem dus inderdaad als deze Here, en hoe dan ook, hij moet de strekking van deze Psalm in ieder geval gekend hebben, begrepen hebben. vermoedelijk omdat hij terplekke ten gehore gebracht werd. Bovendien, het lijkt mij duidelijk dat als wij, notabene, op een dag als vandaag bij deze Psalm stilstaan, dat de Heer Zelf toch ook bij deze Psalm moeten hebben stilgestaan.En ik denk dat Hij niet alleen bij die dagen, maar ook in die jaren die daaraan vooraf gingen, heel dikwijls aan deze Psalm gedacht moet hebben, en ‘m gelezen moet hebben omdat de Psalm vertelde wat Hem te wachten stond. En wat ligt dan méér voor de hand dat juist deze Psalm door Zijn hoofd spookt, om het maar eens zo te zeggen, ik weet niet hoe of ik dat zo netjes mogelijk moet zeggen. Het ligt meer voor de hand dat Hij deze Psalm in het hoofd heeft en dat Hij daaruit citeert op dat moment, en niet alleen hier en daar een uitspraak maar veel meer dan hier en daar een vers. Maar goed, we weten dat niet helemaal zeker, maar denkt u er maar eens over na want het zal heleboel van de omstandigheden in die dagen, in die uren verklaren.

Goed, de Heer zegt dan: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten. Dat is een uitspraak van de Here Jezus in Mattheüs 27 vers 46, ik zei het al, en ook in Marcus 15 vers 34. En dat is een uitspraak waarover heel wat te doen is over het algemeen, er wordt zwaar over gediscussieerd, eenvoudig omdat ’t over het algemeen de omstandigheden van de Here Jezus slecht begrepen worden. Men begrijpt slecht Wie Hij is, we hebben daar wel eens vaker bij stil gestaan en we hebben wel eens eerder vastgesteld dat zodra wij spreken over Zijn Godheid, dan neemt men ons kwalijk dat wij Zijn mensheid niet genoeg benadrukken, en zodra wij spreken over Zijn mensheid, dan worden we verondersteld Zijn Godheid niet te erkennen, en al dat sooret dingen meer. Kortom het blijken inderdaad wat moeilijke dingen te zijn, maar we hebben naar aanleiding daar van Psalm 2 ook al even bij stil gestaan. Maar nog moeilijker wordt het als wij in de eerste plaats geloven dat de Here Jezus God is en de tweede plaats dat Hij zegt: mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten. Want hoe kan dat dan? En toch is het werkelijk niet zo moeilijk maar men zou er goed aandoen voortaan bij het lezen van die woorden in de Evangelieën ogenblikkelijk Psalm 22 op te slaan, want daaruit zijn de woorden geciteerd. Daaraan worden ze ontleent. En ik heb wel eens vaker gezegd: als het Nieuwe Testament uitdrukkelijk het oude geciteerd wordt is het kennelijk de bedoeling dat wij het oude erop naslaan en zien wat daar de context is en wat daar over diezelfde omstandigheden nog meer gezegd wordt. Daartoe dient dat.Anders hoeft het niet geciteerd te worden immers. Het is uitdrukkelijk de verwijzing naar niet alleen één zo’n vers of uitspraak maar naar een heel schriftgedeelte waarin zo’n uitspraak voor komt.Nou, zo is het ook met deze uitspraakvan de Heer aan het kruis, hij is ontleent aan Psalm 22 vers 2 en daar wordt hij verklaard want er staat bij: verder zijnde van mijn verlossing of verder zijnde van de woorden namelijk van mijn brullen, of vers 3 Mijn God, ik roep des daags maar Gij antwoord niet en des nachts en ik heb geen stilte. En wat dus de uitspraak, Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten betekent is heel duidelijk, het betekent dat Hij schreeuwt, brult, staat er zelfs.Tot de hemel, maar bedoelt uiteraard tot God en er komt geen antwoord. Hoe kan dat? Wel omdat dat is heel eenvoudig, omdat in de 1e plaats de Here Jezus is God al was het maar omdat Hij door God verwekt is. Hij is de Zoon van God is dus is Hij God, dat leidt geen enkele twijfel. Maar het neemt niet weg, dat Hij hier op aarde verscheen in  menselijke gedaante en Zijn Godheid heeft afgelegd, zo staat het er nu eenmaal ipv de uitlegging te bekritiseren doen wij er goed aan om te proberen de uitdrukking te begrijpen. Er staat dat Hij geen roof heeft geacht Gode even gelijk te zijn, dat was Philippenzen 2, maar heeft Zichzelve geledigd, staat er letterlijk, Hij heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen, is gehoorzaam geworden tot de dood, ja de dood des kruizes.Dat betekent dat God zelf Zijn Godheid aflegde en inruilde voor Zijn mensheid. Dat wil zeggen God kwam Zelf op aarde. En het is altijd vervelend, bij het kerstfeest hebben we daar nooit moeite mee maar als we rond goede vrijdag deze dingen aanhalen, schijnt iedereen vergeten te zijn, en er problemen mee te hebben. Want, kijk, de geboorte van de Here Jezus is de vervulling van de profetie van uit Jesaja die zegt dat God zou, zou met ons zijn. Immanuel, God met ons. God geopenbaard in het vlees, een uitdrukking diue niet eens in de Bijbel voorkomt, maar goed. Hij is God, maar openbaardde Zich in het vlees.In de gedaante van een dienstknecht zelfs.Dat mag geen probleem voor ons opleveren, het leverde echter voor Hem een probleem op, voor ons niet, wij hoeven het alleen maar aan te nemen, zo is het namelijk gebeurd. Hij openbaarde Zich als mens hier op aarde en kreeg daarbij Naam, namelijk de Naam Jezus, en zult Zijn Naam heten Jezus. De Naam Jehova werd verandert in Jehosia en voor het Grieks komt Hij tot ons Jezus.Maar het is wel degelijk een verbastering van het Jehova zelf.

Met andere woorden, wij kennen de mens Jezus van Nazareth, maar feitelijk is Hij God Die zich in menselijke gedaante heeft geopenbaard.Dan is de volgende vraag: Is daarna de hemel; dan leeg? En dan is het antwoord: Nee! En dat begrijpen wij dan niet, maar daar hebben wij een ander heel mooi beeld voor, een mooie beschrijving van, hoe of dat dan is, want Hij is niet alleen God, hij is namelijk de Zoon van God, door God verwekt, daarom is Hij God. Dat is een gedachte die wij als mensen weer zijn kwijtgeraakt maar die niettemin wel degelijk correct is, namelijk iemand die van Adam afstamt is, is Adam, en wordt ook zo aangeduid, en iemand die van God afstamt wordt aangeduid als God. En iemand die van David afstamt heet gewoon David. Nou, enzovoorts. In de Bijbel is dat in elk geval zo. En iemand die van Israel afstamt, Jacob dus, die wordt aangeduid als Israel. Hij is het ook, alleen in een volgende generatie heet het dan. Maar het leven, laat ik het anders zeggen. Levi betaalde tienden aan Melchisedek staat er in Hebreeën. Maar Levi was nog helemaal nog niet geboren toen Melchisedek verscheen, want Melchisedek verscheen aan Abraham, en toen was er nog niet eens sprake van Izaak, laat staan Jacob, laat staan Levi. Maar Abraham betaalde tienden aan Melchisedek en Levi deed dat dus ook, want hij was nog in de lenden van Abraham als hem Melchisedek tegemoet ging. Zo ongeveer staat het in de Hebreeën-brief. Met andere woorden, Levi wordt gewoon gezien als een verlengstuk van Abraham. Hij is dus Abraham, alleen dan enige honderden jaren later. Alleen we kennen hem dan bij een andere naam, niettemin wordt hij aangeduid als Abraham. Want, staat er dan, Levi betaalde tienden aan Melchisedek en dus is het priesterschap van Levi lager dan van Melchisedek. En als we er dan over nadenken, missen we nog een fase in het verhaal, want niet Levi werd priester maar Aäron.

En zo is het met de Godheid van de Here Jezus die wordt ons geillustreerd op deze zelfde wijze. Hij is namelijk uit God geboren en daarom is Hij God, en zo kan het bestaan dat Hij God is zonder dat God uit de hemel verdwenen is. God komt op de aarde, God woont tussen de mensen, God is met ons, en toch is Hij nog in de hemel.

Enige belangwekkende verschil is natuurlijk dat wij mensen, Vader en Zoon beschouwen als twee generaties, als twee verschillende mensen totaal verschillend, maar dat is een misverstand ook in ons denken overigens want het onderscheid is veel minder groot dan wij meestal vermoeden, maar bovendien is het zo bij God dat onderscheid feitelijk helemaal niet bestaat. Maar ja, van het wezen van God, weten we niet meer dan wat de Bijbel er ons over verteld, en dan blijkt het zo te zijn dat als God op aarde komt, Hij toch desondanks in de hemel blijft. Wij zijn op aarde, hoewel Hij in de hemel is, is Hij tegelijkertijd in ons. Daaruit vloeit dan weer voort  dat wij inderdaad in de hemel zijn.

Wij vinden dan inderdaad dat de Here Jezus dus inderdaad God is maar Hij heeft Zijn Godheid afgelegd, en op aarde als mens geboren. En er staat ook waarom dat was, namelijk opdat Hij zou sterven.Het gaat er gewoon om dat we hier te maken hebben met de mens Jezus van Nazareth Die Zich geledigd heeft en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen. U weet wat of dat betekent, namelijk Hij werd geboren en Hij werd gelegd in een kribbe, en op dat moment wist hij niks, want een baby weet niks. En toen God mens werd wist Hij ook niks, want zo worden alle mensen geboren. En van de moeders buik aan, zoals de uitdrukking hier in deze Psalm ook is, weet men niks, en men zal daarna een boel moeten leren, en bovendien met zal moeten leren geloven in dat wat anderen zeggen. En meer speciaal in dat wat God zegt. Dat is de weg die de Here Jezus ook gegaan is, de weg die voor het grootste gedeelte dus overeen komt met de weg van de bijvoorbeeld Oudtestamentische profeten in het algemeen.Of de weg van de gelovigen in het algemeen, maar dan in het bijzonder dan de weg van de profeten, namelijk een levensweg in afhankelijkheid van het Woord van God, dat is één. Men heeft dat Woord van God ook moeten leren, de Here Jezus ook. Want begrijp me goed, toen Hij 12 jaar was en in de tempel was, was Hij niet de schriftgeleerden aan het onderwijzen, maar Hij liet Zich onderwijzen door de schriftgeleerden. ’t Was niet andersom. Hij was er als leerling, niet als leraar. Hij was alleen een misschien wat goeie leerling, dat kan wezen. Maar niettemin Hij was daar leerling. Er lag daar geen wijze in de kribbe van Bethlehem. Hij moest met wijsheid gevuld worden. Dat is nou juist wat Hij had afgelegd. Wijsheid maakt deel uit van de geestelijke dingen van de onvergankelijke dingen, dat was precies wat Hij heeft afgelegd, Hij heeft Zichzelf geledigd. Want als je een mens leeg maakt, zal ik maar zeggen, dan betekent het niet dat je zijn ingewanden eruit haalt, uiteraard. Maar dat betekent dat hij blanco gemaakt wordt, dat z’n gedachten leeg zijn, zijn herinnering leeg is, dan zit er niks in. Nou, zó wordt een mens geboren hier op aarde, zo werd ook de Here Jezus hier op aarde geboren. En net als elk ander mens, en net als elke andere gelovige kon hij Zich wenden tot God in de hemel, en bij bepaalde gelegenheden liet deze God in de hemel ook wel eens wat van Zich horen. Dat was in Oudtestamentische tijden meer het geval, zeker in het verband met de profeten, zoals ik al zei was dat ook met de Here Jezus.

Updated: 23/08/2016 — 07:45

Toots Thielemans is gestopt met roken

Thielemans overleed in zijn slaap in het ziekenhuis, waar hij vorige maand na een val was opgenomen. Manager Veerle Van de Poel zei dat er geen complicaties waren opgetreden. ‘Hij is overleden door ouderdom, zijn lichaam was gewoon op.’

De wereldberoemde mondharmonicaspeler overleed maandag op 94-jarige leeftijd in een Belgisch ziekenhuis.

Updated: 22/08/2016 — 19:57

Europese media zwijgen over verkrachtingsgolf door immigranten en asielzoekers in Zweden

Welkom in Zweden, dankzij massa immigratie verkrachtingsland nummer één in de Westerse wereld.

Migranten in Zweden verantwoordelijk voor 1472% meer verkrachtingen – ‘De autochtone Zweedse vrouw wordt statistisch gezien minstens één keer in haar leven verkracht door een immigrant’

Verkrachting is één van de ergste misdaden die een mens tegen een ander mens kan begaan, omdat het slachtoffer meestal levenslang met ernstige psychologische problemen wordt opgezadeld. Onze maatschappij was het er vroeger over eens dat er daarom veel energie moet worden gestoken in preventie en het opsporen en bestraffen van de daders. Als we dit echter in het perspectief van de toenemende immigratie uit voornamelijk moslimlanden zetten, blijken deze principes ineens niet meer te gelden en wordt er vooral gezwegen en de andere kant op gekeken.

De honderdduizenden vluchtelingen uit Noord Afrika en het Midden Oosten zijn voornamelijk jonge mannen. In landen zoals India en zeker China, waar er door het decennia lang gevoerde één kind beleid een groot overschot aan mannen is, zien we duidelijk waar dit toe kan leiden. In alle landen met een mannenoverschot worden vrouwen en jonge meisjes steeds vaker het slachtoffer van almaar grover en brutaler seksueel geweld, zoals groepsverkrachtingen en aanrandingen, zelfs in het openbaar.

Lees verder

Updated: 22/08/2016 — 11:24
Pagina 1 van 49123456789101112131415...3040...Last »
In de hemel is wél bier ! © 2014 Frontier Theme