Handelingen 17

In Thessaloníca.

1 En door Amfipolis en Apollonia [hun] weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, alwaar een synagoge der Joden was.
2 En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,
3 [Dezelve] openende, en voor [ogen] stellende, adat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Dien ik, [zeide hij], ulieden verkondige.

a: Psa 22:7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
Mat 16:21 Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.
Luk 24:46 En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dag
e.

bEn sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.

b: Act 28:24 En sommigen geloofden wel, hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.

5 Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, [dit] benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.
6 En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten der stad, roepende: cDezen, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen;

c: Act 16:20 En als zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn.

7 Welke Jason in [zijn huis] genomen heeft; en alle dezen doen tegen de geboden des keizers, dzeggende, dat er een andere Koning is, [namelijk] Jezus.

d: Luk 23:2 En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.
Joh 19:12 Van toen af zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet; een iegelijk, die zichzelven koning maakt, wederspreekt den keizer.

8 En zij beroerden de schare, en de oversten der stad, die dit hoorden.
9 Doch als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen gaan.

In Beréa.

10 En de broeders zonden terstond edes nachts Paulus en Silas weg naar Berea; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden;

e: Act 9:25 Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand.

11 En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, [als] die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, fonderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.

f: Isa 34:16 Zoekt in het boek des HEEREN, en leest; niet een van dezen zal er feilen, het een noch het ander zal men missen; want mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest Zelf zal ze samenbrengen.
Luk 16:29 Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen.
Joh 5:39 Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.

12 Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse eerlijke vrouwen en van de mannen niet weinige.
13 Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord Gods ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar gen bewogen de scharen.

g: 1Th 2:14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;

14 Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheus bleven aldaar.
15 En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en hals zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheus, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij.

In Athene. Op den Areópagus.

h: Act 18:5 En als Silas en Timotheus van Macedonie afgekomen waren, werd Paulus door den Geest gedrongen, betuigende den Joden, dat Jezus is de Christus.

16 En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende, dat de stad zo zeer afgodisch was.
17 Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen, die [hem] voorkwamen.
18 En sommigen van de Epikureische en Stoische wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? Maar anderen [zeiden]: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde.
19 En zij namen hem, en brachten [hem] op de [plaats, genaamd] Areopagus, zeggende: Kunnen wij [niet] weten, welke deze nieuwe leer zij, daar gij van spreekt?
20 Want gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten, wat toch dit zijn wil.
21 (Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden [hun] tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen.)
22 En Paulus, staande in het midden van de [plaats, genaamd] Areopagus, zeide: Gij mannen van Athene! ik bemerke, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt.
23 Want [de stad] doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Dezen dan, Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.
24 iDe God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, kwoont niet in tempelen met handen gemaakt;

i: Gen 1:1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
2Kr 6:30 Hoor Gij dan uit den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen.
Psa 33:6 Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
Psa 124:8 Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Psa 146:6 Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid.
Isa 66:1 Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?
Act 14:15 En zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is;
Rev 14:7 Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, Die den hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.

k: Act 7:48 Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:

25 En wordt ook van mensenhanden niet gediend, [als] iets behoevende, lalzo Hij Zelf allen het leven en den adem, en alle dingen geeft;

l: Gen 2:7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.

26 En heeft uit een bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op den gehelen aardbodem te wonen, mbescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hun woning.

m: Deu 32:8 Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israels.

27 Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons.
28 Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.
29 nWij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn.

n: Isa 40:18 Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?

30 God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, overkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren.

o: Luk 24:47 En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

31 Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, pDien Hij [daartoe] geordineerd heeft, verzekering [daarvan] doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.

p: Act 10:42 En heeft ons geboden den volke te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden.

32 Als zij nu van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen [daarmede]; en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan horen.
33 En alzo is Paulus uit het midden van hen uitgegaan.
34 Doch sommige mannen hingen hem aan, en geloofden; onder welke was ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, met name Damaris, en anderen met dezelve.

Updated: 26/09/2017 — 01:08

Eigen Volk Eerst!!

Eigen volk eerst – Omdat Christenen in de Bijbelse betekenis niet verantwoordelijk zijn voor de wereld, maar wel voor hun eigen huis, is ‘Eigen volk eerst’ eigenlijk hun principe. De ‘huisgenoten des geloofs’ zijn hun broeders en zusters. De Schrift leert dat God Zich een volk verzamelt voor Zijn naam. De wereld legt haar lot in handen van de staat. Het is de bedoeling dat christenen hun leven aan de Heer overgeven, daarna verantwoordelijk zijn voor (mede) huisgenoten en verder een bestaan leiden in een vijandige wereld. In het licht van de Bijbel is het fenomeen ‘wereldburger’ een dwaasheid. Een gelovige is primair een hemelburger en het is Gods bedoeling dat vreemdelingen in het land dat ook worden, zoals buiten-staanders destijds eerst Israëliet moesten worden om aan het Pascha te kunnen deelnemen. Voor een christen is belangrijk te weten wie zijn broeder en zijn vijand is. De met andere goden naar Israël komende vreemdeling mocht zich niet in het land vestigen. Dat is een voorbeeld voor de Gemeente van Christus.

‘Laat ons goed doen aan allen, meest aan de huisgenoten’

They say that the tribulation will be 7 years but that isn’t right!

Tribulation upon Judah

The second half of the 70th week will overwhelm both Judah and Jerusalem. “For then there will be
a great tribulation, such as has not occurred since the beginning of the world until now, nor ever shall.” Matt. 24:21. There will be a period of “great tribulation” that will start in the middle of the week when the “abomination of desolation” stands in the holy place. First the great tribulation will comeover Judah and Jerusalem and, after that, upon all peoples, nations and languages. Concerning the tribulation upon Judah and Jerusalem, the Lord Jesus says the following: “And unless those days had been cut short, no life would have been saved; but for the sake of the elect those days shall be cut short” Matt. 24:22. Because Judah and Jerusalem will be destroyed at the end of the 70th week and the believing remnant will call on the name of the Lord, their tribulation ends at that moment. In this way, the “great tribulation” is divided up. There is a time of tribulation upon the people of Israel (the second half of the 70th week) and a time of tribulation upon the nations (33 years).

In Revelation 6 we find a vision (seven seals) describing the events in the 70th week.

First half of the 70th week:
1st seal: White horse, and the rider who sat on it has a bow and a crown Rev. 6:2. He will be given
power (bow) and will need no arrows that speak of war. He will seize his power by intrigue
(politics) Dan. 11:21. The rider on the white horse will bring peace.

Second half of the 70th week:
2nd seal: Red horse, the rider was given a sword and the outcome was war Rev. 6:3-4.
3rd seal: Black horse, and the rider has a pair of scales in his hands (famine) Rev. 6:5-7.
4th seal: Ashen horse, and the rider has the name “Death”. To them (the three riders) authority is
given over a fourth of the earth to kill with sword (2nd rider), and with famine (3rd rider)
and with pestilence (4th rider) Rev. 6:8.
5th seal: The souls of those who will be slain because of their testimony ask for vengeance. But they
will have to wait for a little while longer (33 years). There will be more believers (in the 33
years) who will be killed because of the testimony they maintain Rev. 6:9-11, 20:4.

End of the 70th week:
6th seal: The great earthquake upon Israel (the beginning of the day of wrath) Rev. 6:12-17.

Immediately after the 70th week:
7th seal: Silence in heaven for about half an hour Rev. 8:1. The four angels will have to wait with their
judgements upon the earth and the sea (great tribulation upon the nations) because the
144,000 must be sealed first.

Tribulation upon the nations: 7 trumpets

After the 70th week, 144,000 bond-servants will be sealed. This event can only take place if the 2 and the 10 tribes have found their real identity (and are gathered back to Israel). Probably, this will last for several years. The silence in heaven is symbolic of it Rev. 8:1. After this, the judgement by means of 7 trumpets will begin. Those judgements will not come upon Judah and Jerusalem; they will exclusively come upon the nations in the 33 years.

1st trumpet: Judgement upon the earth. Hail and fire, mixed with blood. A third of the trees and all the green grass will be burnt up Rev. 8:7.

2nd trumpet: Judgement upon the sea. A “mountain burning with fire” will be thrown into the sea. A third of the sea will become blood and a third of the creatures, which are in the sea and have life, will
die; and a third of the ships will be destroyed Rev. 8:8-9.

3rd trumpet: Judgement upon the rivers. The water will be made bitter (poisonous) due to which many men will die Rev. 8:10-11.

4th trumpet: A third of the sun, moon and stars will be darkened Rev. 8:12.

5th trumpet: The bottomless pit will be opened and smoke and locusts will go up. They will torment men for five months (except those who will have the seal of God on their foreheads) Rev. 9:1-11.

6th trumpet: Release of the four angels who are bound at the river Euphrates. They will kill a third of mankind by fire, smoke and brimstone Rev. 9:14-21.

7th trumpet: Loud voices will arise in heaven, saying: “The kingdom of the world has become the
kingdom of our Lord, and of His Christ; …”
Rev. 11:15. The heaven will be opened and there will be flashes of lightning and roaring of thunder, an earthquake along with a great hailstorm Rev. 11:18-19.

Tribulation upon the nations: 7 bowls

John also sees the judgement upon the earth in a vision of “7 bowls of wrath (bowls)” Rev. 16. These bowls of wrath show the same structure as the 7 trumpets. The judgement that first is seen in shape of 7 trumpets corresponds to the judgement of the 7 bowls of wrath. Both sequences of judgements end
with the finale that the kingdom of the world will be given to Christ. At the end of both the 7th bowl and the 7th trumpet, Babylon will be desolate (at the end of the 33 years).

1st bowl: Poured out into the earth. It will become a malignant sore upon the men who have the mark of the beast and who worship his image Rev. 16:2.

2nd bowl: Poured out into the sea that will become blood.
Every living thing in the sea will die Rev. 16:3.

3rd bowl: Poured out into the rivers and the springs of waters. They will become blood Rev. 16:4.

4th bowl: Poured out upon the sun. Men will be scorched with fire. They will blaspheme the name of God and yet refuse to repent Rev. 16:8-9.

5th bowl: Poured upon the throne of the beast. His kingdom will be darkened and men will ground their teeth in anguish. But they will blaspheme God and yet refuse to repent Rev. 16:10-11.

6th bowl: Poured upon the river Euphrates. Its water will be dried up that the way will be prepared for the kings from the east. Out of the mouth of the dragon, beast and false prophet there will come forth
three unclean spirits. They will gather the kings of the whole earth together for the “war of the great
day of God the Almighty” Rev. 16:12-16.

7th bowl: Poured out upon the air. “And a loud voice came out of the temple from the throne, saying, ‘It is done.’” There will be flashes of lightning, sounds and peals of thunder and a great earth
quake. Babylon will be split into three parts, the cities of the nations will fall, huge hailstones will come down from heaven Rev. 16:17-21.

Handelingen 16

Timótheüs.

1 En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, aldaar was een zeker discipel, met name Timotheus, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Grieksen vader;
aWelken [goeden] getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystre en Ikonium.

a: Act 6:3 Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.

3 Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, bom der Joden wil, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was.

b: 1Co 9:20 En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen, die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou.
Gal 2:3 Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.

4 En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over, cdie van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om [die] te onderhouden.

c: Act 15:20 Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.

5 De Gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal.

Paulus’ roeping naar Macedónië.

6 En als zij Frygie, en het land van Galatie doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azie te spreken.
7 [En] aan Mysie gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynie te reizen; en de Geest liet het hun niet toe.
8 En zij, Mysie voorbij gereisd zijnde, dkwamen af tot Troas.

d: 2Co 2:12 Voorts, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in den Heere, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond;

9 En van Paulus werd in den nacht een gezicht gezien: er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonie, en help ons.
10 Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar Macedonie te reizen, besluitende [daaruit], dat ons de Heere geroepen had, om denzelven het Evangelie te verkondigen.

In Filippi. Lydia en de stokbewaarder.

11 Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothrace, en den volgende [dag] naar Neapolis.
12 En van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonie, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen.
13 En op den dag des sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren.
14 En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde [ons]; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.
15 En als zij gedoopt was, en haar huis, bad [zij ons], zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Heere getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. eEn zij dwong ons.

e: Gen 19:3 En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.
Gen 33:11 Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
Rch 19:21 En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezelen voeder; en hun voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij.
Luk 24:29 En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij den avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.
Heb 13:2 Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.

16 En het geschiedde, als wij tot het gebed heengingen, dat een zekere dienstmaagd, fhebbende een waarzeggenden geest, ons ontmoette, welke haar heren ggroot gewin toebracht met waarzeggen.

f: 1Sa 28:7 Toen zeide Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft.

g: Act 19:24 Want een, met name Demetrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe;

17 Dezelve volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen.
18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus, [daarover] ontevreden zijnde, keerde zich om, en zeide tot den geest: Ik gebied u in den Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. hEn hij ging uit ter zelfder ure.

h: Mar 16:17 En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.

19 Als nu de heren van dezelve zagen, dat de hoop huns gewins weg was, igrepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten.

i: 2Co 6:5 In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten,

20 En als zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: kDeze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn.

k: 1Ko 18:17 En het geschiedde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij die beroerder van Israel?
Act 17:6 En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten der stad, roepende: Dezen, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen;

21 En zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen zijn.
22 En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen, hun de klederen afgescheurd hebbende, lbevalen hen te geselen.

l: 2Co 11:25 Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.
1Th 2:2 Maar, hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet, te Filippi, zo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het Evangelie van God tot u te spreken in veel strijds.

23 En als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden den stokbewaarder, dat hij hen zekerlijk bewaren zou.
24 Dewelke, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker, en verzekerde hun voeten in de stok.
25 En omtrent den middernacht mbaden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen.

m: Act 4:31 En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid.

26 En er geschiedde snellijk een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; nen terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los.

n: Act 5:19 Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zeide:
Act 12:7 En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. En zijn ketenen vielen af van de handen.

27 En de stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zichzelven omgebracht hebben, menende, dat de gevangenen ontvloden waren.
28 Maar Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier.
29 En als hij licht geeist had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder [aan de voeten;]
30 En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: o[Lieve] heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?

o: Luk 3:10 En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen?
Act 2:37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
Act 9:6 En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.

31 En zij zeiden: pGeloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

p: Joh 3:16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Joh 3:36 Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Joh 6:47 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.
1Jn 5:10 Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.

32 En zij spraken tot hem het woord des Heeren, en tot allen, die in zijn huis waren.
33 En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en wies [hen] van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen.
34 En hij bracht hen in zijn huis, qen zette [hun] de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.

q: Luk 5:29 En Levi richtte Hem een groten maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.
Luk 19:6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.

35 En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die mensen los.
36 En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, [zeggende]: De hoofdmannen hebben gezonden, dat gij zoudt losgelaten worden; gaat dan nu uit, en reist heen in vrede.
37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in het openbaar gegeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu heimelijk daaruit? Niet alzo; maar dat zij zelven komen, en ons uitleiden.
38 En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, horende, dat zij Romeinen waren.
39 En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, rbegeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden.

r: Mat 8:34 En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken.

40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in tot Lydia; en de broeders gezien hebbende, vertroostten zij dezelve, en gingen uit [de stad].

Updated: 23/09/2017 — 13:19
Pagina 1 van 165123456789101112131415...304050...Last »
In de hemel is wél bier ! © 2014 Frontier Theme