Vlag!

Het Keltische Kruis zou de betekenis hebben van een symbool dat staat voor de brug naar de andere wereld. Op zich klopt dat aardig maar feitelijk staat het kruis voor het vloekhout waaraan de Heere Jezus hing, en de ring er omheen symboliseert het oneindige, omdat wie gelooft, de tweede dood niet zou sterven.

Jozef van Arimathea, Jezus in Zijn jongelingsjaren

Jozef van Arimathea en Jezus in Zijn jongelingsjaren

Jozef van Arimathea stichtte de eerste Christelijke kerk in Brittannië. Jozef was de oom van de Heere Jezus, die in Zijn jongelingsjaren met zijn oom meevoer naar het Westen. In de Bijbel staat niets of nauwelijks vermeld van zijn jeugd, maar her en der in Europa vind je beelden van de Heere Jezus samen met Zijn oom Jozef. Jozef van Arimathea was de eerste apostel aan Brittannië. Hij plantte het vaandel van Christus 562 jaar voor Augustinus voet zette op het door zeeën omringde eiland. Met twaalf andere discipelen van de Heere Jezus stichtte hij, in wat nu Engeland heet, de eerste openlijk Christelijke kerk. Brittannië werd de voedingsbodem, waar een niet aflatende stroom van jonge bekeerlingen werd opgeleid door de apostelen en discipelen van Christus, die daarna werden uitgezonden naar andere landen om het evangelie te onderwijzen.

Het edict van Keizer Claudius in 42 A.D.:

“Veeg het Christelijk Brittannië van de kaart!” 

Het verleden lijkt zo ver verwijderd, dat het onbetekenend en onbegrijpelijk schijnt te zijn voor de Christenen van vandaag, die zich koesteren in veiligheid en luxe, dat 1915 jaar geleden voor de eerste keer een machtige wereldveroverende natie een wet uitvaardigde om het Christendom met wortel en tak uit te roeien, en dat door middel van gewapend geweld.. Deze natie hoopte dat te bereiken door de Britse eilanden te verwoesten. Dit was tien jaar nadat de gebeurtenissen rondom het kruis hadden plaatsgevonden en minder dan zes jaar nadat Jozef, de Nobilis Decurio, in geheel Brittannië “de Weg van Christus” had verkondigd vanuit zijn toevluchtsoord op het eiland Avalon.

Deze heilige kruistocht had zich zo snel vanuit Avalon tot zelfs naar de overzijde van de zee verspreid en had heel Rome zo zeer in onrust gestort, dat Rome niet langer aan deze uitdaging aan haar heidense filosofieën en de zogenaamde veiligheid van het keizerrijk kon voorbijgaan. In het jaar 42 A.D. vaardigde Claudius, keizer van Rome, een belangrijke wet uit, waarin hij opdracht gaf om geheel Christelijk Brittannië te vernietigen. Mannen, vrouwen en kinderen, al haar belangrijke instellingen en haar bibliotheken moesten gedood, vernietigd of verbrand worden.Voor dit doel rustte Claudius het grootste en meest efficiënte leger uit dat werd aangevoerd door Rome’s meest capabele generaals.

In deze wet die Claudius voor de Romeinse Senaat afkondigde, stond tevens dat het aanvaarden van het geloof der druïden of van het Christelijk geloof, een halsmisdaad was en dat dit bestraft zou worden met de dood door het zwaard, de martelkamer, of dat men voor de leeuwen in het Collosseum gegooid zou worden. Het Boek der Martelaren vertelt dat er gedurende de eerste tweehonderd jaar van het Christendom meer dan zes miljoen Christenen begraven werden in de catacomben van Rome: Allen slachtoffers van moord. Hoeveel meer er nog begraven zijn in andere, niet onderzochte catacomben, is moeilijk te zeggen. Het totale aantal zou schrikbarend zijn.

In het spoor van de discipelen

Bron: De vergeten beginjaren van het Christendom. Dit boek pakt de geschiedenis op kort na de verrijzenis van de Here Jezus Christus. Jozef van Arimathea speelde in die geschiedenis een belangrijke rol. Zeer oude geschriften vertellen dat deze man door zijn genadeloze vijanden op zee werd gezet. Samen met een paar trouwe metgezellen, in een open boot zonder roeiriemen of zeil, dreven zij ver van hun Judeese thuisland af. Zij keerden ook nooit meer terug, maar stonden daarentegen aan de basis van de verbreiding van het Christelijk geloof. ISBN: 978-90-808032-3-7 – George F. Jowett – 16 x 24 cm. – 250 pag.

De opperbevelhebber die door keizer Claudius gekozen werd om zijn edict ten uitvoer te brengen was niemand minder dan de beroemde Aulus Plautius, die de Scipio van zijn dagen genoemd werd. Hij staat in de Romeinse geschiedenis te boek als één van de talentvolste bevelhebbers en veroveraars. Hij kwam in 43 A.D. aan in het gebied van Brittannië en richtte zijn hoofdkwartier in in Chichester. Plautius liet er geen gras over groeien en zette zijn ervaren legioenen onmiddellijk in actie in een opmars gericht tegen het zuiden, tegen de Siluriërs. Op die manier sneed hij hen af van de machtige Brigantijnen in het ver afgelegen noorden die tot de Kelten van Yorkshire behoorden. De vijandelijke legers ontmoeten elkaar in een schrikbarend gewelddadige slag en dit eerste gevecht werd door de Romeinen verloren, waarschijnlijk omdat zij de kwaliteiten van hun tegenstanders hadden onderschat. In de verschillende veldslagen die daarna volgden, bemerkte de Romeinse generaal tot zijn grote verrassing dat hij geconfronteerd werd met een intelligente militaire macht, die gewaagd was aan zijn eigen leger van ervaren strijders. En hoewel zij ver in de minderheid waren, vochten zij onverschrokken en een onbevreesde woestheid, die de Romeinse soldaten nog niet eerder waren tegengekomen. Voor het eerst stonden de Romeinen tegenover een volk, dat niet geterroriseerd kon worden door grote aantallen wreedheden.

In die dagen had Rome de hele wereld al aan zich onderworpen, behalve Brittannië. Zij hadden machtige legers verslagen, die werden aangevoerd door briljante koningen en generaals en die zeer gehard waren in de strijd. De door hen onderworpen volkeren in Afrika, Azië en Europa, die zij tot slaven hadden gemaakt, verhalen van hun heerszucht en wreedheid. Dezelfde Romeinse generaals, die deze veroveringen gemaakt hadden, voerden het Romeinse leger in Brittannië aan en faalden, de één na de ander. Met zo’n enorm uitgestrekt rijk om te beschermen en in stand te houden, konden de Romeinse keizers het zich niet veroorloven om hun beste legeraanvoerders en hun beste legioenen negen jaar in Brittannië te houden. Nog minder konden zij zich de afslachting van hun getrainde soldaten in een zinloze strijd veroorloven. Het enorme verlies aan levens, geleden aan beide kanten, in vele van de veldslagen in Brittannië, was volgens de verslagen groter dan bij de meeste veldslagen in wereldoorlog I en wereldoorlog II. Zulke verliezen wijzen niet op een gemakzuchtige, vrijblijvende Romeinse veldtocht in Brittannië.

Deze geschiedenissen, opgetekend door de pen van de tegenstander, ondersteunen de waarheid beter dan wanneer wij dit zelf opgeschreven hadden.Zonder wrok, maar met grote bewondering verhalen zij hoe de Silurische krijgers, aangevoerd door Caractacus, Arviragus en de druïdische hogepriesters, in niet te stoppen aanvalsgolven, zelfs over hun gesneuvelde en stervende kameraden heen, op hen afstormden en vochten met een woestheid die zelfs de geharde en door oorlog getekende soldaten van de Romeinse legioenen met afgrijzen vervulde. Hun angstaanjagende strijdkreten schalden boven het wapengekletter uit. Voor het eerst kwamen de Romeinen vrouwelijke krijgers tegen, die zij aan zij vochten met de mannen in een voor hen gerechtvaardigde strijd. Tacitus schrijft dat hun lange wapperende blonde haar en hun vuurschietende blauwe ogen angstaanjagend waren om naar te kijken. Ook hoorden de Romeinse soldaten voor het eerst het motto van de oude druïdische priesters gebruiken als strijdkreet voor het Christendom:

Y gwir byn erbyn y Byd

, hetgeen “De waarheid tegenover de wereld” betekent. Nooit is er een rechtvaardigder strijdkreet gebezigd, die zelf zoveel aan waarheid bevat. Deze strijdkreet bestaat nog steeds. Zij is door de eeuwen bewaard gebleven en is heden het motto van de Orde der Druïden in Wales.

De Britse koningin Boadicea kwam strijdlustig in opstand, woedend over de persoonlijke vernedering van haar twee dochters, zij werden in het openbaar verkracht terwijl zij zelf werd gegeseld, en zocht naar wraak. Haar krijgers verzamelden zich, belust op strijd. Zij zou haar krijgers voorgaan in een strijd zo hevig en verwoestend dat haar naam in de Britse geschiedenis de verpersoonlijking en de toorts werd van alles wat nobel was in Brittannië. Tot op deze dag wordt Brittannië op haar geldstukken als vrouw afgebeeld.

Boadicea, de Britse naam voor Victoria, was een nicht van Claudius Pudens en dus nauw verbonden aan Caractacus en Arviragus. Boadicea zond Venusius, de Pendragon van de Iceni naar Arviragus en bood hem het bevel aan over de samengevoegde strijdkrachten van Iceni en Coronaid. Of hij dit aanvaard heeft is onduidelijk, waarschijnlijk omdat de beschrijving van deze geschiedenis overheerst wordt door de lofzang op de gestalte en de moed van deze koningin.

“Boadicea besteeg de generaalszetel. Haar gestalte was langer dan van de gemiddelde vrouw, haar verschijning had in zichzelf iets angstaanjagends, haar houding was kalm en beheerst, maar haar stem was donker en genadeloos. Haar haar hing in gouden lokken tot op de heupen en werd op haar voorhoofd bijeen gehouden door een gouden diadeem. Zij droeg een Schots geruite japon, die haar borstkas nauw omsloot maar vanaf de taille uitliep in losse plooien. Daaroverheen een Chlamys, een militaire mantel. In haar hand droeg zij een lans.”

Zo wordt de majesteitelijke Boadicea omschreven, zoals zij stond temidden van 120.000 krijgers die gehoor hadden gegeven aan haar vurige oproep tot wraak. De rede die zij tot hen sprak was net zo uitdagend en onvergetelijk als die van haar beroemde familielid Caractacus tot de Romeinse senaat. Dion Cassius schrijft hierover het volgende:

“Ik, een vrouw, doe een beroep op u. Ik heers niet, zoals Nitocris, over lastdieren gelijk de verwijfde volkeren in het Oosten zijn, of Semiramis, over handelslieden en reizigers, noch zoals het manwijf Nero, over slaven en ontmanden – zoals ons door deze buitenlanders is wijsgemaakt – maar ik heers over Britten, weinig bedreven in bedrog en diplomatie, maar geboren en getraind in oorlogsvoering. Mannen die omwille de vrijheid, hun eigen levens, de levens van hun vrouwen en kinderen, hun landerijen en hun eigendommen in de waagschaal leggen. Als koningin van zo’n volk smeek ik om uw hulp bij het behouden van die vrijheid en het overwinnen van vijanden, berucht om de lichtzinnigheid waarmee zij hun wandaden plegen, om hun verkrachting van het recht, om hun minachting van godsdiensten, om hun onstilbare hebzucht; een volk dat zwelgt van plezier in onmenselijkheden, voor wier affectie men groter angst en afschuw moet hebben dan voor haar vijandschap. Nooit zal een vreemdeling heerschappij hebben over mij of over mijn landgenoten, nooit zal dit land beheerst worden door slavernij. O, godin der manhaftigheid en der overwinning, wees gij voor eeuwig heerseres en koningin in Brittannië.”

(Visited 359 times, 1 visits today)
Updated: 15/08/2016 — 10:12

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

In de hemel is wél bier ! © 2014 Frontier Theme