Bij de Nikon Club Nederland kwam ik een onbekend woord tegen: ‘Diffractie’.

Diffractie – de grenzen van de scherpte

Op de populaire natuurfotografiesite Nederpix.nl werd onlangs een macrofoto van een bij afgekeurd vanwege gebrek aan scherpte. Nu is dat geen unicum, maar meestal betreft het duidelijke gevallen van bewegingsonscherpte of een verkeerde scherpstelling. Ditmaal werd geopperd dat de gebrekkige scherpte wel eens het gevolg van diffractie kon zijn. De foto was namelijk gemaakt met een heel kleine diafragmaopening: F32. Bij zulke kleine openingen gedraagt licht zich anders dan anders. (Bron)

Hey, hoe treffend?!

De weg van het licht

Men heeft duizenden jaren geloofd dat de aarde stilstond.Toen men ging beweren dat de aarde een planeet was, zoals alle andere planeten, deed men dat niet omdat dit (meer) overeenkwam met de verschijnselen die men waarnam. Men deed dit om filosofische redenen. Men ging uit van een heelal waarin de aarde een planeet was, zoals alle andere planeten. Men kwam tot de ontdekking dat de aarde slechts zeer klein was ten opzichte van de zon. Men vond het absurd dat zo’n grote zon om zo’n kleine aarde draaide. Dit heeft uiteraard niets meer met astronomie te maken. Het is filosofisch om te zeggen dat iets groots niet om iets kleins kan draaien. Grote dingen horen centraal te staan, vindt men. Dit is overigens ook het principe van democratie: de minderheid moet zich aan de meerderheid onderwerpen.

De verhouding tussen de grote zon en een kleine aarde is niet bewezen. Wanneer wij naar de zon kijken, komen we tot de conclusie dat die niet veel groter is dan de maan. De maan is kleiner dan de aarde. Waarom zou de zon dan niet eveneens kleiner zijn dan de aarde? Dit is gebaseerd op onze dagelijkse waarnemingen. Men komt tot de bewering dat de zon zeer groot is op grond van twee axioma’s. Men hanteert deze twee stel­lingen bij alle astronomische studie. Dit staat los van de manier, waarop men dit doet (met kijkers of radiotelescopen). Deze twee axioma’s zijn:

  1. Het licht gaat altijd langs een rechte weg.

Wij hebben reeds gezien dat licht lang niet altijd langs een rechte weg gaat. Licht wordt soms zelfs door lucht teruggekaatst; zeker door een spiegel. Veel astronomische verschijnselen zijn gebaseerd op het feit dat het licht niet altijd via een rechte weg gaat.

  1. Het licht gaat altijd met dezelfde snelheid, namelijk met een snelheid van 000 km per seconde (exact: 299.792,458 km/s). Dit is de snel­heid van het licht op aarde (binnen de dampkring).

Dit zijn axioma’s en dat betekent dat zij niet bewezen zijn. We moeten ons realiseren wat er gebeurt als wij ergens naar kijken. Wij gaan ervan uit dat wij onze blik ergens op richten. In werkelijkheid komt een lichts­traal van buitenaf in ons oog terecht. Als een lichtstraal in het oog komt, dan concluderen wij uit welke richting dat licht komt. Wanneer wij in die richting kijken, dan kijken wij dus naar de richting waaruit die lichtstraal in ons oog kwam. Schematisch:

Wanneer een lichtstraal door een spiegel weerkaatst wordt en vervolgens in ons oog komt, dan kijken wij in de richting van de spiegel, want uit die richting kwam de lichtstraal in ons oog.

De lichtbron geeft lichtstralen en die lichtstralen komen via een omweg in ons oog. Daardoor zien wij de dingen op een plaats waar ze niet zijn. Die ”omweg” kunnen wij niet bepalen. Voorbeeld: Wanneer wij een auto met een snelheid van 40 km/uur de straat in zien komen, dan kunnen wij niet zeggen: die auto komt vanuit het oosten en is een uur onderweg, dus komt hij uit een plaats die 40 km ten oosten van onze straat ligt. Wij weten namelijk helemaal niet waar die auto een afslag heeft genomen. Wij weten evenmin of hij constant 40 km/uur heeft gereden, enzovoorts. Wij zien de auto alleen de straat in komen. Verder weten wij niets van die auto, noch van de weg die hij heeft afgelegd. Dit principe geldt voor alle dingen die wij zien. Er komen lichtstralen in ons oog. Wij weten onder welke hoek die lichtstraal in ons oog valt. Dat is de laatste richting van die lichtstraal. De weg die deze lichtstraal heeft afgelegd, kennen wij echter niet. Wij kennen alleen het laatste kleine stukje waarbij de lichtstraal in ons oog komt. De rest van de weg kennen wij niet. Onze waarnemingen zijn derhalve zeer subjectief.

Door temperatuurverschillen in de atmosfeer kunnen lichtstralen afgebogen worden. In de woestijn zien mensen soms een oase die er op dié plaats niet is. Wanneer het zeer mooi weer is, kan men dit verschijnsel ook op Terschelling waarnemen. Wanneer men naar de zee kijkt, ziet men duinen en dergelijke; alleen het onderste deel van hetgeen men ziet, klopt niet,want de duinen zweven. Het is een fata morgana. Dit kan worden waargenomen, omdat lichtstralen in de lucht worden afgebogen. Hetgeen wij waarnemen is er wel, maar niet op de plaats waar wij het zien. Het kan wel andere afmetingen hebben,want door spiegels kunnen dingen vergroot of verkleind worden. Dit is bijvoorbeeld het principe van een sterrenkijker. Via geslepen spiegels,waardoor de dingen vergroot worden, kijkt men in de ruimte. Bovendien kijkt men via de zijkant van een sterrenkijker de ruimte in. De dingen die men ziet zijn veel groter dan men ze met het blote oog ziet. Men weet dat men bedrogen wordt en men doet dat met opzet, omdat men het met een bepaald doel doet. De Bijbel zegt nergens dat het licht via een rechte weg gaat. De Bijbel zegt juist dat het licht niet via een rechte weg gaat.

Job 38 : 18, 19

18 Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.

19 Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

Hoe breed is de aarde? Wij gaan ervan uit dat de aarde een omtrek heeft van 40.000 km. Daaruit is de diameter te berekenen. Of dit correct is, is niet bekend. In dit verband wordt over de weg van het licht gesproken. De vraag kan ook anders gesteld worden: ”Wat is de weg die het licht nor­maal aflegt?” De normale weg van het licht is namelijk niet bekend. De wetenschap gaat ervan uit dat het licht een rechte weg aflegt. Dat is gebaseerd op de waarnemingen van de mens; via het oog. Tevens wordt gevraagd waar de plaats van de duisternis is. Uit hetgeen tot nog toe in deze studie naar voren is gekomen, weten wij dat de Bijbel leert dat de duisternis ”buiten” is. Daar komt het licht nooit.

Job 38 : 24

24 Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oos­tenwind zich verstrooit op de aarde?

Hier wordt niet alleen naar de weg van het licht gevraagd, maar ook naar de weg waar het licht verdeeld wordt. De Bijbel gaat ervan uit dat licht verdeeld wordt en daarom geen rechte weg gaat. Iets dat zich verdeelt, gaat namelijk geen rechte weg. Op welke manier dat gebeurt en wáár dat gebeurt, wordt niet vermeld. De mens kan niet berekenen hoe dat gaat. Hij kan wel vermoedens naar voren brengen om de waarnemingen uit de natuur te verklaren. Hij kan het echter niet met wiskundige formules bewijzen. Het kan niet bepaald/gemeten worden. De mens gaat uit van licht dat altijd met dezelfde snelheid en via een rechte lijn beweegt. Vanuit deze gedachte komt men op een enorme zon en een hele kleine aarde. Deze conclusie is gebaseerd op licht dat zich altijd met dezelfde snelheid en via een rechte weg voortbeweegt. Als wij naar de zon kijken, dan weten wij onder welke hoek wij dat licht van de zon waarnemen. Men spreekt over het aantal graden van de zon en de maan aan de hemel. De mens kan echter niet zeggen hoe groot de zon en de maan zijn. Daarvoor is het namelijk noodzakelijk om de afstand tot de aarde te kennen. Als wij de zon onder een bepaalde hoek zien, dan zegt dat nog niets over de grootte. In de praktijk zien we de zon en de maan allebei even groot aan de hemel staan. De mens zegt dat de maan heel dicht bij de aarde staat en dat de zon heel ver van de aarde staat. Hieruit trekt men de conclusie dat de zon ontzettend groot moet zijn.

Men kan meten hoe lang het licht van de zon erover doet om bij ons te komen. Dit is een vrij betrouwbare meting die ongeveer 8 minuten duurt. Het licht plant zich voort met een snelheid van 300.000 km per seconde. Dit is overigens de lichtsnelheid op aarde. Men gaat ervan uit dat het licht zich in de ruimte met dezelfde snelheid voortplant. Als het 8 minuten (= 480 seconden) duurt voor het licht bij ons is, dan staat de zon dus op een afstand van 300.000 x 480 = 144.000.000 km afstand van ons af. Hieruit is dan weer de grootte van de zon te berekenen. Deze berekening is volkomen juist, maar bij deze hele gedachtegang maakt men een grote fout. Men gaat namelijk uit van de twee hierboven genoemde axioma’s en men gaat ervan uit dat die juist zijn. Ze zijn echter nooit bewezen; integendeel! Het staat niet vast dat het zonlicht vanaf de zon in een rechte lijn naar ons toe komt. Evenmin staat vast dat het licht gedurende die 8 minuten met dezelfde snelheid gaat. Bovendien is bekend dat alles wat naar de aarde komt, in toenemende snelheid (een eenparig versnelde beweging) naar de aarde komt. Voor het licht maakt men echter een uitzondering. Wanneer wij van twee andere axioma’s uitgaan, komen wij tot hele andere conclusies. Die twee axioma’s zijn:

  1. Naarmate het licht dichter bij de aarde komt, gaat het met een steeds grotere snelheid (eenparig versneld).
  2. Het licht gaat niet altijd in een rechte lijn.

Men heeft berekend, dat het licht 8 minuten nodig heeft om bij ons te komen. Het licht gaat op grote afstand van de aarde langzamer dan dich­ter bij de aarde. Ver van de aarde verwijderd, gaat het dus niet met een snelheid van 300.000 km per seconde, maar veel langzamer. Dit betekent dat hoe verder men van de aarde verwijderd is, des te kleiner is de afstand die wordt overbrugd. Dit betekent dat de zon veel dichter bij de aarde staat dan wij denken. De consequentie hiervan is dat de zon veel kleiner is dan men denkt. De mens hanteert de ”nulmethode”. Dit betekent dat de snelheid van het licht altijd uitkomt op 300.000 km/s, omdat licht gemeten wordt met licht. In de astronomie wordt licht namelijk gebruikt als meetinstrument. Tot voor kort rekende men met lichtjaren (= de afstand die het licht in één jaar overbrugt: 9.460.800.000.000 km). Het hanteren van lichtjaren is correct, maar de omrekening naar kilometers is onjuist, omdat de snelheid van het licht niet altijd constant is. Het licht gaat op grotere afstand van de aarde langzamer dan dichter bij de aarde. We gaan uit van een plat aardoppervlak en we tekenen daarboven een ster. Op aarde worden twee waarnemers geplaatst.

Schematisch:

Vanuit die ster tekenen we twee lichtstralen naar de twee waarnemers; één onder een hoek van 60° en één onder een hoek van 30°. Uitgaande van een plat aardoppervlak is de afstand tussen die ster en het aardoppervlak te berekenen. Hiertoe dient de loodlijn berekend te worden. Dit levert geen enkel probleem op. Nu gaan we niet uit van een plat aardoppervlak, maar van een bolle aarde. We tekenen weer een ster boven de aarde en wederom twee waarnemers. Schematisch:

Beide waarnemers kijken feitelijk recht voor zich uit en zien de ster ”opkomen”. Wanneer wij bepalen hoelang het licht van de ster erover doet om op aarde te komen, dan hebben we meteen de kromming van het aardoppervlak berekend. Bij een plat aardoppervlak kunnen de waarnemers, als ze recht voor zich uit kijken, nooit de ster zien. Ze moeten omhoog kijken. Als ze toch voor zich uit kijken en de ster zien, betekent dit dat het aardoppervlak gebogen moet worden. Beide waarnemers keken immers recht voor zich uit. Men verklaart de aarde tot een bol om beide kijkrichtingen op de ster gericht te krijgen.

Men gaat ervan uit dat licht zich rechtlijnig en met dezelfde snelheid voortplant. Vanuit deze twee axioma’s is men verplicht uit te gaan van een bolle aarde,want anders is het onmogelijk dat beide waarnemers de ster zien onder dezelfde hoek. Wanneer we echter uitgaan van licht dat afgebogen wordt, is het helemaal niet nodig om de aarde bol te verkla­ren. Wanneer we ervan uitgaan dat het licht bij de aarde afgebogen wordt, omdat de snelheid toeneemt naarmate het licht dichter bij de aarde komt, dan is er geen enkel probleem. In dat geval kan rustig uitge­gaan worden van een plat aardoppervlak.

Schematisch:

Door te zeggen dat het licht via een kromme lijn gaat, kan het principe van een bolle aarde worden omzeild. We kunnen echter nog veel verder gaan. We kunnen rustig uitgaan van het beeld dat de Bijbel ons voorhoudt: de holle aarde. We tekenen opnieuw een ster en twee waarnemers. Beide waarnemers staan horizontaal/evenwijdig met het aardoppervlak naar de ster te kijken. Beide zien de ster.

Schematisch:

Staat de ster op aarde? Nee, natuurlijk niet. De ster staat in de hemel. De conclusie die wij die­nen te trekken, is dat het licht van de ster krom gaat en via de kromme lijn bij de waarnemers terechtkomt.

Schematisch:

Beide waarnemers kijken recht voor zich uit en zij interpreteren het alsof de ster in het verlengde van de lijn staat waarin zij kijken.

Alle waarnemingen die de wetenschap doet, laten wij gewoon staan. De wetenschap meet namelijk alleen met hoeken. Vervolgens keren wij de aarde geheel binnenste buiten (in ons denken). De berekeningen van de wetenschap blijven dan gewoon van kracht. Het enige verschil is dat wij die ster zien in een holle aarde, terwijl de wetenschap die ster ziet vanaf een bolle aarde. De consequentie is wel dat het axioma van de weten­schap onjuist is, omdat het licht zich niet rechtlijnig voortplant. De astro­nomie gaat van het axioma uit dat het aardoppervlak gebogen is en dat het licht via een rechte lijn gaat. Wanneer wij van het axioma uitgaan dat het aardoppervlak plat is, dan is de consequentie daarvan dat hetgeen eerst recht was (namelijk de weg van het licht), nu krom gaat. De waarnemingen blijven daardoor volstrekt gelijk. Er verandert niets aan onze waarnemingen. In beide gevallen wordt echter van een ander axioma uitgegaan.

We gaan nu nog een stap verder en zeggen dat die bol niet plat is, maar hol. De enige consequentie daarvan is dat het licht nog meer afgebogen wordt dan bij een plat aardoppervlak. Hoe verder het licht van de aarde verwijderd is, des te langzamer gaat het. De richting speelt daarbij vermoedelijk geen enkele rol. Het licht gaat traag, maar gaat sneller naarmate het dichter bij de aarde komt.Vlak bij de aarde buigt het licht af. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de aarde de grens vormt voor het licht. Onder de aarde is namelijk duisternis. Het licht is niet erg geneigd om de aarde te naderen en buigt daarom vlak boven het aardoppervlak af.

In plaats van een ster kunnen we zon nemen. De consequentie van het voorgaande is dat de zon vele malen kleiner is dan de wetenschap meent. Generaliserend gesproken maakt men de hemellichamen groter naarmate ze verder van de aarde verwijderd zijn. Vergeleken bij de planeten is de zon groot, maar vergeleken met andere sterren is het slechts een ”dwerg”. Dit komt, omdat men van een wereldbeeld uitgaat dat binnenste buiten is gekeerd. De kromming van het licht verklaart tevens het verschijnsel van dag en nacht in 24 uur. In dit verband is van belang om te onthouden dat niet de aarde draait, maar de zon. De kleine zon kon rustig stilstaan in de tijd van Jozua, want vanuit het Bijbelse wereldbeeld is de zon makkelijk boven het dal van Gilead stil te zetten. Binnen het algemeen erkende wereldbeeld is dat onmogelijk. Vanuit het Bijbelse wereldbeeld heeft het geen noemenswaardige gevolgen als de zon stil wordt gezet. Het enige dat men daarvan op aarde merkte, was dat de schaduw op de zonnewijzer niet verder ging.

Het licht van de zon straalt niet alle kanten op, want dan zou de gehele aarde verlicht worden. De zon verlicht slechts de helft van de aarde. De ene deel van de aarde ligt in het duister (= het is nacht), terwijl de andere helft van de aarde verlicht wordt (= het is dag). Dit zijn onze waarnemingen. Halverwege de aarde ontstaat de overgang tussen dag en nacht, omdat de zon slechts de helft van de aarde verlicht.We gaan weer uit van twee waarnemers. De ene waarnemer (C) ziet de zon opkomen; recht voor zich uit. Dit betekent dat het laatste stukje van het licht van de zon evenwijdig met het aardoppervlak gaat. Dat is de waarneming van waarnemer C. Het licht valt evenwijdig aan het aardoppervlak in zijn oog en dat bepaalt zijn waarneming. De overige zonnestralen vallen op de aarde, want het is daar dag.

Op de tekening staat de zon recht boven punt A. Op de plaats waar de andere waarnemer staat (B), raakt het zonlicht nog net de aardbodem. Daar gaat de zon onder. Wanneer deze waarnemingen schematisch wor­den weergegeven, ontstaat de volgende tekening:

Dit is een schematische tekening. Onbekend is hoe de stralen gaan en hoe sterk ze worden afgebogen. Slechts het laatste deel van de weg van het licht wordt door ons waargenomen. Zoals algemeen bekend is, bereiken niet alle lichtstralen de aarde. Er zijn een aantal stralen die ”langs” de aarde gaan. De lichtstralen buigen namelijk af, waardoor een deel van het licht van de zon de aarde niet bereikt. Daardoor ontstaat de nacht aan de andere kant van de aarde. Het grootste deel is licht, maar er is een deel van de aarde dat niet door het licht van de zon bestraald wordt. Daar is duisternis (= nacht). In de praktijk is de helft van het aardoppervlak duister. De zon draait gedurende 24 uur en daardoor verplaatsen licht (dag) en duisternis (nacht) zich over het aardoppervlak. Dit beeld is gebaseerd op het wereldbeeld, dat de Bijbel ons voorhoudt. Het is helemaal niet in strijd met onze waarnemingen. Bepaalde specifieke vragen met betrekking tot de werkelijke aard van het licht zijn niet te beantwoorden, maar de algemene wetenschap kan dergelijke vragen evenmin beantwoorden.

Er zijn verschillende theorieën in omloop over het licht, maar ze zijn met elkaar in tegenspraak. De ene theorie gaat ervan uit dat licht zich voortplant door middel van straling, terwijl de andere theorie ervan uitgaat dat licht via deeltjes wordt doorgegeven. Beide blijken ”wáár” te zijn, maar beide zijn tevens met elkaar in tegenspraak. De ene theorie sluit namelijk de andere theorie uit. De wetenschap heeft ”ontdekt” dat de ruimte krom is. De grens van de ruimte is niet krom,want men kent geen grens. De ruimte zelf blijkt gebogen te zijn. De astronomie gebruikt hiertoe een krom ”meetlint”, namelijk ”licht”. Men meet iets (namelijk de ruimte), dat een andere vorm blijkt te hebben dan hun ”meetlint”. Men gaat ervan uit dat het licht via een rechte weg gaat en dus recht is. Men meet het heelal en neemt waar dat het heelal ten opzichte van het licht krom gaat. Bovendien gaat men ervan uit dat de ruimte niets is. Men meet iets dat er eigenlijk niet is en zegt daarvan dat het krom is.

De astronomie gaat uit van de verkeerde axioma’s en daardoor kloppen de conclusies evenmin. Het enig juiste axioma is het geloof in het Woord van God. In het Woord van God liggen alle schatten der wijsheid en kennis verborgen (Kolossenzen 2 :2,3). Christus is het Begin van alle wijsheid. Vanuit dat Begin dienen wij de zaken te bestuderen. Dàt dient het uit­gangspunt zijn. Men dient het Woord van God te geloven; zonder voor­behoud! Sommige mensen vinden dit veel te ver gaan. De wetenschap gelooft echter ook zonder voorbehoud, hoewel ze niet het Woord van God als uitgangspunt van hun geloof neemt. Men vindt dat heel nor­maal. Wanneer wij het Woord van God als uitgangspunt voor ons geloof nemen, blijken zelfs de dingen die binnen de wetenschap niet kloppen, wel te kloppen. Zeker in moreel/ethisch opzicht blijken de zaken te klop­pen met hetgeen het Woord van God leert. Dit geldt voor alles; niet alleen voor het wereldbeeld.

De kromming van het licht veroorzaakt dat de zon en de sterren op een andere plaats staan dan wij ze zien. Door die kromming wordt slechts de helft van het aardoppervlak verlicht. Al onze waarnemingen worden bovendien door die kromming vervormd. Als voorbeeld halen we in de voorgaande tekening de zon weg en plaatsen er ons oog voor in de plaats. Wij gaan ervan uit dat wij ons op die plaats in de ruimte bevinden en naar de aarde kijken. Wij kijken door middel van licht. Dat licht kaatst van de aarde terug en valt in ons oog. Wat zien wij dan? Wij zien de zaken vanuit een bepaalde hoek. Dat is de hoek waaronder het licht in onze ogen valt. Dit betekent dat wij precies de helft van de aarde zien. Het resultaat hiervan is dat – waar men zich ook bevindt in het heelal – men slechts de helft van de aarde ziet. Het Bijbelse wereldbeeld komt dus pre­cies overeen met de waarneming. Men verklaart dit door te zeggen dat de aarde een bol is, waardoor het niet mogelijk is om méér dan de helft van de aarde te zien.

Wanneer men naar de aarde kijkt, ziet men de aarde niet onder een hoek van 180° (als holle aarde),maar slechts onder een hoek van bijvoorbeeld 60°. Het is te vergelijken met een enorm sterke groothoeklens.

Schematisch:

Vanuit het heelal ziet men de halve aarde (180°), maar het valt door de kromming van het licht slecht onder een hoek van 60° in het oog. Wanneer men daar een camera plaatst, ziet men dezelfde halve aarde óók onder een hoek van 60°. In werkelijk ziet ons oog natuurlijk méér dan die hoek van 60°. Naast die hoek van 60° is alles echter zwart! Men kijkt feitelijk gewoon terug het heelal in.

Men beweert dat de aarde een planeet is in een oneindig heelal. In dat heelal zouden zich een ontelbaar aantal licht­bronnen bevinden. Als dat waar zou zijn, zou de hemel dag en nacht door altijd licht zijn. De astronomen weten dat ook wel, maar zij verklaren dat weg. Wij nemen echter geen lichte hemel waar, maar een zwarte hemel. Dat komt doordat wij geen licht meer zien. Wij kijken langs de aarde; terug het heelal in. Het heelal is namelijk niet oneindig en er bevinden zich geen ontelbaar aantal lichtbronnen. De wereld heeft een geheel ander uiterlijk dan de wetenschap vermoedt.

Schematisch:

Dit resultaat komt overeen met het effect van een fish-eye lens. Dit is een super-groothoeklens. Wanneer men met een dergelijke lens een foto maakt van bijvoorbeeld een bakstenen muur, dan krijgt men de volgende tekening:

Er ontstaat van de muur een ronde plaat, omgeven door een zwarte achtergrond. Het zwarte gedeelte is ontstaan doordat de lens langs de muur heen keek; terug in de lens. Op grond van het patroon van de bakstenen zien wij dat de foto vervormd is. Wij herkennen het wel als een bakstenen muur, omdat wij die eerder hebben gezien. Als wij niet zouden weten hoe een bakstenen muur er uit behoort te zien, zouden wij ervan uitgaan dat zo’n muur uit bolle stenen zou bestaan (een soort gemetselde voetbal) óf dat zo’n muur hol zou zijn = de binnenkant van een gemetselde voetbal).

Foto van een markt, genomen met een fish-eye lens

Foto van een markt, genomen met een fish-eye lens

In dit geval zouden we weten dat het om een bolle muur gaat, want bij een holle muur zouden we tegen de zijkanten van de stenen moeten aankijken.

Dit principe geldt ook met betrekking tot de aarde. Wanneer men vanuit de ruimte naar de aarde kijkt, dan valt niet te zeggen of die aarde bol of hol is. Een foto is twee-dimensionaal, terwijl bol of hol zijn, met drie dimensies te maken heeft die niet op een foto vast te leg­gen zijn. Wanneer men een foto van een voet­bal ziet, zegt men dat die bol is, omdat men dat kan zien. Men kan dat op de foto helemaal niet zien, maar men wéét dat een voetbal bol is. Wanneer men vanuit het heelal een foto van de aarde maakt, zegt men eveneens dat die bol is, omdat men dat kan zien. Dit is echter onjuist. Het is niet te zien. Men heeft aangenomen dat die aarde bol is! Omdat men geen argwaan heeft (of goedgelovig is) accepteert een ieder dat. Diezelfde foto kan ech­ter gebruikt worden om te verdedigen dat de aarde hol is. Het zijn menselijke interpretaties; op grond van hetgeen men op voorhand meent te weten.

Ook over ons tweede axioma, dat het licht niet altijd via een rechte weg gaat, heeft de Bijbel iets te zeggen.

Jesaja 40 : 4

4 Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.

Het gaat hier niet specifiek over het licht, maar over het vervangen van de oude schepping in de nieuwe schepping.

In het algemeen geldt dat wat krom is, recht gemaakt zal worden. Dit heeft óók op het licht betrekking. Het is een algemeen principe in ver­band met de komst van de nieuwe schepping. Wat krom is, zal recht gemaakt worden. Wat van de rechte weg is afgebogen, zal weer naar de rechte weg teruggebracht worden. Het geldt in filosofisch opzicht, maar zeker ook in natuurkundig opzicht. Het licht zal zich in de toekomst rechtlijnig voortplanten. Dan zullen we de dingen zien, zoals ze in werkelijkheid zijn.

Prediker 7 : 11-13

11 De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan.
12 Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.
13 Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?

Het gaat hier over wijsheid en wetenschap. In Prediker 7 : 11 wordt boven­dien over de zon gesproken. Wat God krom gemaakt heeft, kan door nie­mand recht gemaakt worden en andersom. Er zijn een aantal dingen die krom zijn. Licht is één van die dingen. ”Krom” is niet positief (vergelijk Filippenzen 2 : 15). Alles wat in deze oude schepping krom is, zal in de nieuwe schepping recht gemaakt zijn; zowel letterlijk als overdrachtelijk. (Bron: Het Bijbels wereldbeeld)

Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig tot lering voor diegene die in de Rechtvaardigheid is. Opdat de mens Gods volwassen zal zijn, toegerust tot elk goed werk. 2Timoteüs 3:16-17

(Visited 16 times, 1 visits today)
Updated: 18/03/2017 — 07:36

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

In de hemel is wél bier ! © 2014 Frontier Theme