De Palestijnse Staat

Zefanja, hoofdstuk 2. Vers 1 – 7.

  1. Doorzoek uzelf nauw, ja doorzoek nauw, gij volk, dat met  geen lust bevangen wordt!
  2. Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des Heeren toom over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van de toom des Heeren over ulieden nog niet komt.
  3. Zoekt den Heere, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken!
    Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toom des Heeren.
  4. Want Gaza zal verlaten wezen, en A’skelon zal ter verwoesting wezen; Asdod
    zal men in de middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden.
  5. Wee den inwoneren van de landstreek der zee, den volken der Cherétim!
    Het Woord des Heeren zal tegen ulieden zijn, gij Kanaän, der Filistijnen land! En Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.
  6. En de landstreek der zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten der herders, en betuiningen der kudden.
  7. En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; des avonds zullen zij in de huizen van A’skelon legeren, als de Heere, hunlieder God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.

Lees verder

(Visited 2 times, 1 visits today)
Updated: 30/05/2017 — 00:33

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

In de hemel is wél bier ! © 2014 Frontier Theme