Maand: augustus 2017

Matthéüs 5

De zaligsprekingen

Matt 5:1 En [Jezus], de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.
Matt 5:2 En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:
Matt 5:3 a Zalig [zijn] de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

a: Luk 6:20 En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.

Matt 5:4 b Zalig [zijn] die treuren; want zij zullen vertroost worden.

b: Luk 6:21 Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.

Matt 5:5 c Zalig [zijn] de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.

c: Ps 37:11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.

Matt 5:6 d Zalig [zijn] die hongeren en dorsten [naar] de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

d: Jes 55:1 O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!

Matt 5:7 Zalig [zijn] de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
Matt 5:8 e Zalig [zijn] de reinen van hart; want zij zullen God zien.

e: Ps 15:2 Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;
Ps 24:4 Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
Hebr 12:14 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;

Matt 5:9 Zalig [zijn] de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Matt 5:10 f Zalig [zijn] die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

f: 2Kor 4:10 Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.
2Tim 2:12 Indien wij verdragen, wij zullen ook met [Hem] heersen; indien wij [Hem] verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;
1Petr 3:14 Maar indien gij ook lijdt om der gerechtigheid wil, zo zijt gij zalig; en vreest niet uit vreze van hen, en wordt niet ontroerd;

Matt 5:11 Zalig zijt gij, als u [de mensen] smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, g om Mijnentwil.

g: 1Petr 4:14 Indien gij gesmaad wordt om den Naam van Christus, zo zijt gij zalig; want de Geest der heerlijkheid, en [de Geest] van God rust op u. Wat hen aangaat, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt.

Matt 5:12 h Verblijdt en verheugt [u]; want uw loon [is] groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u [geweest zijn].

h: Luk 6:23 Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.

Het zout der aarde.
Het licht op de kandelaar

Matt 5:13 i Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal [het] gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.

i: Mark 9:50 Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.
Luk 14:34 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?

Matt 5:14 Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.
Matt 5:15 k Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis [zijn];

k: Mark 4:21 En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? [Is het] niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
Luk 8:16 En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.
Luk 11:33 En niemand, die een kaars ontsteekt, zet [die] in het verborgen, noch onder een koornmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.

Matt 5:16 l Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

l: 1Petr 2:12 En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in [u] zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

Jezus en de Wet

Matt 5:17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om [die] te ontbinden, maar te vervullen.
Matt 5:18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, m totdat het alles zal zijn geschied.

m: Luk 16:17 En het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle.

Matt 5:19 n Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, [die] zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie [dezelve] zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

n: Jak 2:10 Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.

Matt 5:20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.

Jezus en de traditie

Matt 5:21 Gij hebt gehoord, dat [tot] de ouden gezegd is: o Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, [die] zal strafbaar zijn door het gericht.

o: Ex 20:13 Gij zult niet doodslaan.
Deut 5:17 Gij zult niet doodslaan.

Matt 5:22 Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Ráka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
Matt 5:23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;
Matt 5:24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.
Matt 5:25 p Weest haastelijk welgezind [jegens] uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.

p: Luk 12:58 Want als gij heengaat met uw wederpartij voor de overheid, zo doet naarstigheid op den weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.
Efez 4:26 Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;

Matt 5:26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.
Matt 5:27 Gij hebt gehoord, dat [van] de ouden gezegd is: q Gij zult geen overspel doen.

q: Ex 20:14 Gij zult niet echtbreken.
Deut 5:18 En gij zult geen overspel doen.

Matt 5:28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw r [aan]ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.

r: Job 31:1 Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
Ps 119:37 Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.

Matt 5:29 s Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

s: Matt 18:8 Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt [zijnde], dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
Mark 9:43 En indien uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur;

Matt 5:30 En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
Matt 5:31 Er is ook gezegd: t Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.

t: Deut 24:1 Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.

Matt 5:32 v Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.

v: Matt 19:7 Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten?
Mark 10:4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en [haar] te verlaten.
Mark 10:11 En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.
Luk 16:18 Een iegelijk, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk, die de verlatene van den man trouwt, die doet [ook] overspel.
1Kor 7:10 Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.

Matt 5:33 Wederom hebt gij gehoord, dat [van] de ouden gezegd is: x Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.

x: Ex 20:7 Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
Lev 19:12 Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE.
Deut 5:11 Gij zult den Naam des HEEREN, uws Gods, niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden dengene, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.

Matt 5:34 Maar Ik zeg u: y Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;

y: Jak 5:12 Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat gij in geen oordeel valt.

Matt 5:35 Noch bij de aarde, z omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, a omdat zij is de stad des groten Konings;

z: Jes 66:1 Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?

a: Ps 48:3 Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, [aan] de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.

Matt 5:36 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;
Matt 5:37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.
Matt 5:38 Gij hebt gehoord, dat b gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.

b: Ex 21:24 Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.
Lev 24:20 Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.
Deut 19:21 En uw oog zal niet verschonen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.

Matt 5:39 Maar Ik zeg u, c dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;

c: Spr 24:29 Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
Luk 6:29 Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet [te nemen].
Rom 12:17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
1Kor 6:7 Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?
1Thess 5:15 Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
1Petr 3:9 Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven.

Matt 5:40 En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;
Matt 5:41 En zo wie u zal dwingen één mijl te gaan, gaat met hem twee [mijlen].
Matt 5:42 d Geeft dengene, die [iets] van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.

d: Deut 15:8 Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.
Luk 6:35 Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.

Matt 5:43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: e Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.

e: Lev 19:18 Gij zult niet wreken, noch [toorn] behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE!

Matt 5:44 Maar Ik zeg u: f Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en g bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;

f: Luk 6:27 Maar Ik zeg ulieden, die [dit] hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.
Rom 12:20 Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.

g: Luk 23:34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.
Hand 7:60 En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.
1Kor 4:13 Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld [en] aller afschrapsel tot nu toe.
1Petr 2:23 Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;

Matt 5:45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Matt 5:46 h Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

h: Luk 6:32 En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.

Matt 5:47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?
Matt 5:48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

Updated: 19/08/2017 — 08:12

Het grote levensverdriet

Het grote levensverdriet. Als kind zijnde hoop je dat je de liefde krijgt die je nodig hebt. Helaas was ik het mikpunt van mijn moeder. Mijn zus en broertje waren perfect voor haar. De liefde die ik nodig had kreeg ik niet. Waarom? Ik lijk op mijn vader. Ik denk dat mijn moeder daarom mij liever niet als haar dochter had. Als klein kind kon ik al niks goeds doen.

Familie van mijn moederskant keken mij ook altijd vreemd aan.. alsof ik niet helemaal goed was. Mijn moeder vertelde een keer tegen mij dat ze niet wisten hoe ze met mij om moesten gaan. Hoezo dat? Ik ben niet anders dan andere. Ik ben zo gemaakt, door mijn moeder.

Mijn moeder vertelde dat ik gehandicapt zou zijn, en autistisch en anders dus dan andere. Dit bleek niet eens zo te zijn. In de papieren van de inzage van raad van kinderbescherming gaven ze aan dat ze vroeger vermoedens hadden, maar dat bleek uiteindelijk niet zo te zijn.

En als dat wel zo zou zijn, is daar ook hulp voor. En er zou ook hulp zijn voor de ouders hoe je met zo iemand dan om kan gaan.

Ik snap niet dat een ouder zo iets kan zeggen jaren lang tegen vele mensen over haar eigen kind. Waarom deed ze dat? Wilde ze aandacht hiermee? Wilde ze mij voor schut zetten bij familie en kennissen en ook  de drumband waar ik lid was vroeger. Zelfs daar vertelde mijn moeder zulke verhalen. in 1989 bleek al dat ik dat niet was. Was toen een meisje van 4 jaar. Jaren later waren die verhalen van mijn moeder. Ik kan er niet bij dat een moeder zoiets kan doen en vertellen over haar eigen kind. Lees verder op Didi’s diary

Kijkglaasje

Een wijlen collega, vriend en broeder zei mij ooit eens: “Als ik een kijkglaasje op mijn hoofd zou hebben, zou je kunnen zien wat een bende het daarbinnen is”. Deze collega, vriend en broeder had te kampen met hevig psychische klachten die hij geen plaats kon geven.

Wat voor ogen is, is verschrikkelijk. Wat niet voor ogen is, is aanstellerij.

Waar is uw geloof dan op gebaseerd?

Blijkens dat ik sinds 1995 trouw kwam bij de Evangelische Maranatha Gemeente, p/a: Beverwijkse Harmonie Kapel, Groenelaan 74, 1942EH Beverwijk en dat mijn †pathologisch narcistische moeder haar “flying monkeys” aldaar vond en in principe dezelfde behandeling kreeg alsof ik nog thuis woonde. Destijds snapte ik er niks van, het was overeenkomstig als in het transport overal te worden uitgekafferd, zonder rede en enkel in mijn ogen als machtsuiting, terwijl.. hetgeen mijn †huisarts ooit zei toen ik nog piepjong was, zoveel kracht in me had, dat ik bij machte was om iemand dood te kunnen slaan. Dat hoef ik slechts mijn biologische broer maar te vragen die zijn boksleraar het ziekenhuis insloeg.

De aldaar aanwezige pathologische narcist †Jopie waarmee of ik bevriend was had ik in het begin totaal geen last van, de ergernis begon met de pathologische narcist en gitarist Frans B. die de schurft had aan bepaalde liederen en deze afraffelde, terwijl opwekking en praise alle aandacht kreeg en een mantra gelijk werden. Ik gaf tegengas en wanneer je een pathologische narcist tegengas geeft dan breekt de pleuris uit, tot overmaat van ramp betrekt hij familie uit Swifterbant erbij die ‘hoe kan het ook anders’ de pathologische narcist bijstaan, nog meer flying monkeys.

Toen van lieverlee Jos erbij kwam, naar alle waarschijnlijkheid ook een pathologische narcist, kreeg pathologische narcist Jopie kapsones en nog voor de dienst was begonnen was voor mij de sfeer al grondig verpest. Ik heb wel eens gedacht haar een slag voor d’r porum te geven, maar blij dat ik het niet heb gedaan, want ik lees de Bonjo waarvan mijn broer in de redactie zit, want anders had ik door hun toedoen in de bak belandt.

Na nog eens twee pathologische narcisten die ik daarvoor als mijn vrienden beschouwde te hebben ontmaskert toen werd ik eerst de toegang tot de Evangelische Maranatha Gemeente ontzegd en nadien bij de Bijbelstudies van Ab Klein Haneveld en daarbij door allen geëxcommuniceerd. Precies als ik bij Uitdaging schreef: Ik ging elke zondag en feestdag naar de samenkomst, naar iedere regionale Bijbelstudie, naar de colleges, naar contactdagen, als het mogelijk was ging ik naar iedere Bijbelstudie in Nederland, elk jaar naar de Conferentie in Duitsland, reisde als vrijwilliger mee met de tentevangelisatie, als ik het financieel kon verhapstukken mee met de Bijbelstudie-reizen.

En dan word je als een vuilniszak aan de straat gezet en wanneer je broeders of zusters tegenkomt, word je met de nek aangekeken. Toen ik in 1993 tot geloof kwam raakte ik eerst al mijn vrienden en zelfs familie kwijt en nu blijken al mijn broeders en zusters zich deelachtig aan satan.

Welk een Vriend is mijn Jezus, Die in mijn plaats wil staan.

Daarnaast heb ik nog een fijne broeder als vriend en sinds enkele jaren iemand die ik eigenlijk al 40 jaar ken en hoewel niet gelovig ik het met hem aardig vinden kan.

Tegen Didi zou ik willen zeggen, geef het plaats. Welnu, dat doe je door het op je blog te zetten, doe het slechts voor jezelf want de mens – hoe rot ook – denkt eerder aan zichzelf dan aan anderen, dat blijkt met deze christenen en daar laat ik het bij, immers God de wrake!!

Van mijn biologische zus kreeg ik de raad Jackie te bezien: Jackie is een komische dramafilm, geregisseerd door Antoinette Beumer, naar een idee van Marnie Blok & Karen van Holst Pellekaan. De hoofdrollen worden gespeeld door Carice van Houten, Jelka van Houten en Academy Award-winnares Holly Hunter.

Matthéüs 4

De verzoeking in de woestijn

Matt 4:1 Toen a werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

a: Mark 1:12 En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.
Luk 4:1 En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn;

Matt 4:2 En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.
Matt 4:3 En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.
Matt 4:4 Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: b De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.

b: Deut 8:3 En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat.

Matt 4:5 Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;
Matt 4:6 En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, c dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en [dat] zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.

c: Ps 91:11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
Ps 91:12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.

Matt 4:7 Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: d Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.

d: Deut 6:16 Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa.

Matt 4:8 Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;
Matt 4:9 En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.
Matt 4:10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: e Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.

e: Deut 6:13 Gij zult den HEERE, uw God, vrezen, en Hem dienen; en gij zult bij Zijn Naam zweren.
Deut 10:20 Den HEERE, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.

Matt 4:11 Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.

Het begin van Jezus’ prediking

Matt 4:12 Als nu Jezus gehoord had, dat f Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd g naar Galiléa;

f: Mark 1:14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods.
Luk 4:14 En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galiléa; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.

g: Luk 4:16 En Hij kwam te Názareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.
Luk 4:31 En Hij kwam af te Kapárnaüm, een stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen.
Joh 4:43 En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galiléa;

Matt 4:13 En Názareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapárnaüm, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;
Matt 4:14 Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesája, den profeet, zeggende:
Matt 4:15 h Het land Zebulon en het land Nafthali [aan den] weg der zee over de Jordaan, Galiléa der volken;

h: Jes 8:23 Maar [het land], dat beangstigd was, zal niet [gans] verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan [gelegen] over de Jordaan, aan Galiléa der heidenen.
Jes 9:1 Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.

Matt 4:16 Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan.
Matt 4:17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: i Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

i: Mark 1:15 En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.

De eerste discipelen

Matt 4:18 k En Jezus, wandelende aan de zee van Galiléa, zag twee broeders, [namelijk] Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers);

k: Mark 1:16 En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andréas, zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);

Matt 4:19 En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.
Matt 4:20 Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.
Matt 4:21 En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, [namelijk] Jakobus, den [zoon] van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedéüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.
Matt 4:22 Zij dan, terstond verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd.
Matt 4:23 En Jezus omging geheel Galiléa, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.
Matt 4:24 En Zijn gerucht ging [van daar] uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.
Matt 4:25 En vele scharen volgden Hem na, van Galiléa en [van] Dekápolis, en [van] Jeruzalem, en [van] Judéa, en [van] over de Jordaan.

Updated: 19/08/2017 — 06:01

Matthéüs 3

Johannes de Doper

Matt 3:1 En in die dagen a kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judéa,

a: Mark 1:4 Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.
Luk 3:3 En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.

Matt 3:2 En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Matt 3:3 Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!

b: Jes 40:3 Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!
Mark 1:3 De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.
Luk 3:4 Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Joh 1:23 Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesája, de profeet, gesproken heeft.

Matt 3:4 En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.

c: Mark 1:6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.

Matt 3:5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa, en het gehele land rondom de Jordaan;
Matt 3:6 En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.

d: Mark 1:5 En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.

Matt 3:7 Hij dan, ziende e velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: f Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

e: Luk 3:7 Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

f: Matt 12:34 Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.
Matt 23:33 Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?

Matt 3:8 g Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig.

g: Luk 3:8 Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.

Matt 3:9 En meent niet bij u zelven te zeggen: h Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.

h: Joh 8:39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen.

Matt 3:10 En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; i alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

i: Matt 7:19 Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Joh 15:6 Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.

Matt 3:11 Ik doop u wel met water tot bekering; k maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben [Hem na] te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.

k: Mark 1:7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden.
Luk 3:16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur;
Joh 1:15 Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik.
Joh 1:26 Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent;
Hand 1:5 Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.
Hand 1:11 Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
Hand 1:16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen, die Jezus vingen;
Hand 19:4 Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.

Matt 3:12 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.

Johannes doopt Jezus

Matt 3:13 Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.
Matt 3:14 Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?
Matt 3:15 Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.
Matt 3:16 En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.
Matt 3:17 En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

Updated: 17/08/2017 — 10:24

Matthéüs 2

De wijzen uit het oosten

Matt 2:1 Toen nu aJezus geboren was te Bethlehem, [gelegen] in Judéa, in de dagen van den koning Heródes, ziet, [enige] wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.

a: Luk 2:4 En Jozef ging ook op van Galiléa, uit de stad Názareth, naar Judéa, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);

Matt 2:2 Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.
Matt 2:3 De koning Heródes nu, [dit] gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem.
Matt 2:4 En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden.
Matt 2:5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judéa [gelegen]; want alzo is geschreven door den profeet:
Matt 2:6 En gij Bethlehem, [gij] land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.

b: Micha 5:1 En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
Joh 7:42 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?

Matt 2:7 Toen heeft Heródes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was;
Matt 2:8 En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.
Matt 2:9 En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven [de plaats], waar het Kindeken was.
Matt 2:10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.
Matt 2:11 En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.
Matt 2:12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Heródes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.

Naar Egypte

Matt 2:13 Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Heródes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden.
Matt 2:14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte;
Matt 2:15 En was aldaar tot den dood van Heródes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den cprofeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.

c: Hos 11:1 Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.

Matt 2:16 Als Heródes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en [enigen] afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen [waren], van twee jaren [oud] en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.
Matt 2:17 Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremía, zeggende:
Matt 2:18 Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!

d: Jer 31:15 Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.

Naar Nazareth

Matt 2:19 Toen Heródes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte.
Matt 2:20 Zeggende: Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israëls; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten.
Matt 2:21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kindeken en Zijn moeder, en is gekomen in het land Israëls.
Matt 2:22 Maar als hij hoorde, dat Archelaus in Judéa koning was, in de plaats van zijn vader Heródes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de delen van Galiléa.
Matt 2:23 En [daar] gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Názareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazaréner zal geheten worden.

e: Jes 11:1 Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.
Jes 60:21 En uw volk zullen allen te zamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat Ik verheerlijkt worde.
Zach 6:12 En spreek tot hem, zeggende: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal des HEEREN tempel bouwen.

Updated: 16/08/2017 — 22:57

Matthéüs 1

Christus’ geslachtsregister

Matt 1:1 Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van a David, den zoon van Abraham.

a: Luk 1:31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.
Luk 1:32 Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.

Matt 1:2 b Abraham gewon c Izak, en Izak gewon d Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broeders;

b: Gen 21:2 En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.

c: Gen 25:26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau’s verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.

d: Gen 29:35 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.

Matt 1:3 En e Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en f Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram;

e: Gen 29:27 Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.
Gen 29:29 En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.

f: Ruth 4:18 Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron;
1Kron 2:5 De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.

g: Ruth 4:19 En Hezron gewon Ram; en Ram gewon Amminádab;
1Kron 2:9 En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jeráhmeël, en Ram, en Chelúbai.

Matt 1:4 En Aram gewon Aminádab, en Aminádab gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon;
Matt 1:5 En Salmon gewon Boöz bij Rachab, en Boöz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jessai;
Matt 1:6 En Jessai gewon David, den koning; en David, den koning, gewon Sálomon bij degene, die Uría’s [vrouw was geweest];

h: Ruth 4:22 En Obed gewon Isaï; en Isaï gewon David.
1Sam 16:1 Toen zeide de HEERE tot Samuël: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.
1Sam 17:12 David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isaï, en [die] acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
1Kron 2:15 Ozem, den zesde, David, den zevende.
1Kron 12:18 En de Geest toog Amásai aan, den overste der hoofdlieden, [en hij zeide]: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden der benden.

Matt 1:7 En Sálomon gewon Róboam, en Róboam gewon Abía, en Abía gewon Asa;

i: 1Kon 11:43 Daarna ontsliep Sálomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehábeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
1Kron 3:10 Sálomo’s zoon nu was Rehábeam; zijn zoon was Abía; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Jósafat;

Matt 1:8 En Asa gewon Jósafat, en Jósafat gewon Joram, en Joram gewon Ozías;
Matt 1:9 En Ozías gewon Jóatham, en Jóatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekías;
Matt 1:10 En Ezekías gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josías;
Matt 1:11 En Josías gewon Jechónias, en zijn broeders, omtrent de Babylonische overvoering.

k: 1Kron 3:16 De kinderen van Jójakim nu waren: Jechónia zijn zoon, Zedekía zijn zoon.

Matt 1:12 En na de Babylonische overvoering gewon Jechónias Saláthiël, en Saláthiël gewon Zorobábel;

l: 1Kron 3:17 En de kinderen van Jechónia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël;

m: Ezra 3:2 En Jésua, de zoon van Józadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.

Matt 1:13 En Zorobábel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljákim, en Eljákim gewon Azor;
Matt 1:14 En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Elihud;
Matt 1:15 En Elihud gewon Eleázar, en Eleázar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob;
Matt 1:16 En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus.
Matt 1:17 Al de geslachten dan, van Abraham tot David, [zijn] veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, [zijn] veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, [zijn] veertien geslachten.

Christus’ geboorte

Matt 1:18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest.

n: Luk 1:27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria.
Luk 1:34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?

Matt 1:19 Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten.
Matt 1:20 En alzo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, [gij] zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest;
Matt 1:21 En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.

o: Luk 1:31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.

p: Hand 4:12 En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.

Matt 1:22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende:
Matt 1:23 Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

q: Jes 7:14 Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.

Matt 1:24 Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;
Matt 1:25 En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.

r: Luk 2:21 En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.

Updated: 16/08/2017 — 10:23
Pagina 1 van 212
In de hemel is wél bier ! © 2014 Frontier Theme