Markus 6

Jezus in Nazareth verworpen.

Mark 6:1 En a Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.

a: Matt 13:53 En het is geschied, als Jezus deze gelijkenissen ge�indigd had, vertrok Hij van daar.
Luk 4:16 En Hij kwam te N�zareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.

Mark 6:2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die [Hem] hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar [komen] Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?
Mark 6:3 b Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem ge�rgerd.

b: Joh 6:42 En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald?

Mark 6:4 En Jezus zeide tot hen: c Een profeet is niet onge�erd dan in zijn vaderland en onder [zijn] magen, en in zijn huis.

c: Matt 13:57 En zij werden aan Hem ge�rgerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet onge�erd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis.
Luk 4:24 En Hij zeide: Voorwaar Ik zeg u, dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderland.
Joh 4:44 Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.

Mark 6:5 d En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen.

d: Matt 13:58 En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.

Mark 6:6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, e en omging de vlekken [daar] rondom, lerende.

e: Matt 9:35 En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.
Matt 13:22 En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.

De uitzending der twaalve.

Mark 6:7 f En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.

f: Matt 10:1 En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwale te genezen.
Luk 6:13 En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
Luk 9:1 En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.

Mark 6:8 En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel;
Mark 6:9 g Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn.

g: Hand 12:8 En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij.

Mark 6:10 En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat gij van daar uitgaat.
Mark 6:11 h En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, i schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. k Voorwaar zeg Ik u: Het zal S�dom en Gom�rra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.

h: Hand 10:14 Maar Petrus zeide: Geenszins, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.
Luk 9:5 En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.

i: Hand 13:51 Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ik�nium.
Hand 18:6 Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij [zijn] klederen af, en zeide tot hen: Uw bloed [zij] op uw hoofd; ik ben rein; [en] van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.

k: Matt 10:5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in [enige] stad der Samaritanen.
Luk 10:12 En Ik zeg u, dat het [dien van] S�dom verdragelijker wezen zal in dien dag, dan dezelve stad.

Mark 6:12 En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren.
Mark 6:13 En zij wierpen vele duivelen uit, l en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond.

l: Jak 5:14 Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der Gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren.

De dood van Johannes den Doper

Mark 6:14 m En de koning Her�des hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zeide: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.

m: Matt 14:1 Te dierzelfder tijd hoorde Her�des, de viervorst, het gerucht van Jezus;
Luk 9:7 En Her�des, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan;

Mark 6:15 Anderen zeiden: Hij is El�as; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een der profeten.
Mark 6:16 Maar als het Her�des hoorde, zeide hij: Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt.
Mark 6:17 n Want dezelve Her�des, [enigen] uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Her�dias, de huisvrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.

n: Matt 14:3 Want Her�des had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Her�dias’ wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.
Luk 3:19 Maar als Her�des, de viervorst van hem bestraft werd, om Her�dias’ wil, de vrouw van Filippus, zijn broeder, en over alle boze [stukken], die Her�des deed,
Luk 9:9 En Her�des zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van Welken ik zulke dingen hoor? En hij zocht Hem te zien.

Mark 6:18 Want Johannes zeide tot Her�des: o Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.

o: Lev 18:1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Lev 18:2 Spreek tot de kinderen Isra�ls en zeg tot hen: Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 18:3 Gij zult niet doen naar de werken des Egyptischen lands, waarin gij gewoond hebt; en naar de werken des lands Kana�n, waarheen Ik u brenge, zult gij niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.
Lev 18:4 Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 18:5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!
Lev 18:6 Niemand zal tot enige nabestaande zijns vleses naderen, om de schaamte te ontdekken; Ik ben de HEERE!
Lev 18:7 Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken; zij is uw moeder; gij zult haar schaamte niet ontdekken.
Lev 18:8 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws vaders niet ontdekken; het is de schaamte uws vaders.
Lev 18:9 De schaamte uwer zuster, der dochter uws vaders, of der dochter uwer moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar schaamte zult gij niet ontdekken.
Lev 18:10 De schaamte der dochter uws zoons, of der dochter uwer dochter, haar schaamte zult gij niet ontdekken; want zij zijn uw schaamte.
Lev 18:11 De schaamte van de dochter der huisvrouw uws vaders, die uw vader geboren is (zij is uw zuster), haar schaamte zult gij niet ontdekken.
Lev 18:12 Gij zult de schaamte van de zuster uws vaders niet ontdekken; zij is uws vaders nabestaande.
Lev 18:13 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontdekken; want zij is uwer moeder nabestaande.
Lev 18:14 Gij zult de schaamte van den broeder uws vaders niet ontdekken; tot zijn huisvrouw zult gij niet naderen; zij is uw moei.
Lev 18:15 Gij zult de schaamte uwer schoondochter niet ontdekken; zij is uws zoons huisvrouw; gij zult haar schaamte niet ontdekken.
Lev 18:16 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws broeders niet ontdekken; het is de schaamte uws broeders.
Lev 18:17 Gij zult de schaamte ener vrouw en harer dochter niet ontdekken; de dochter haars zoons, noch de dochter van haar dochter zult gij nemen, om haar schaamte te ontdekken; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad.
Lev 18:18 Gij zult ook geen vrouw tot haar zuster nemen, om [haar] te benauwen, mits haar schaamte nevens haar, in haar leven, te ontdekken.
Lev 18:19 Ook zult gij tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken.
Lev 18:20 En gij zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden.
Lev 18:21 En van uw zaad zult gij niet geven, om voor den Molech door het [vuur] te doen gaan; en den Naam uws Gods zult gij niet ontheiligen; Ik ben de HEERE!
Lev 18:22 Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel.
Lev 18:23 Insgelijks zult gij bij geen beest liggen, om daarmede onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmede te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging.
Lev 18:24 Verontreinigt u niet met enige van deze; want de heidenen, die Ik van uw aangezicht uitwerpe, zijn met alle deze verontreinigd;
Lev 18:25 Zodat het land onrein is, en Ik over hetzelve zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt.
Lev 18:26 Maar gij zult Mijn inzettingen en Mijn rechten onderhouden, en van al die gruwelen niets doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
Lev 18:27 Want de lieden dezes lands, die v��r u geweest zijn, hebben al deze gruwelen gedaan; en het land is onrein geworden.
Lev 18:28 Dat u dat land niet uitspuwe, als gij hetzelve zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat v��r u was, uitgespuwd heeft.
Lev 18:29 Want al wie enige van deze gruwelen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.
Lev 18:30 Daarom zult gij Mijn bevel onderhouden, dat gij niet doet van die gruwelijke inzettingen, die v��r u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt; Ik ben de HEERE, uw God!
Lev 20:21 En wanneer een man zijns broeders huisvrouw zal genomen hebben, het is onreinigheid; hij heeft de schaamte zijns broeders ontdekt; zij zullen zonder kinderen zijn.

Mark 6:19 En Her�dias legde op hem toe; en wilde hem doden, en konde niet;
Mark 6:20 Want Her�des vreesde Johannes, wetende, dat hij een p rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne.

p: Matt 14:5 En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet.
Matt 21:26 En indien wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet.

Mark 6:21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Her�des, q op den dag zijner geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galil�a;

q: Gen 40:20 En het geschiedde op den derden dag, den dag van Fara�’s geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van den overste der schenkers, en het hoofd van den overste der bakkers, in het midden zijner knechten.
Matt 14:6 Maar als de dag der geboorte van Her�des gehouden werd, danste de dochter van Her�dias in het midden [van hen], en zij behaagde aan Her�des.

Mark 6:22 En als de dochter van dezelve Her�dias inkwam, en danste, en Her�des en dengenen, die mede aanzaten, behaagde, zo zeide de koning tot het dochtertje: Eis van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.
Mark 6:23 r En hij zwoer haar: Zo wat gij van mij zult eisen, zal ik u geven, [ook] tot de helft mijns koninkrijks!

r: Richt 11:30 En Jeftha beloofde den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij de kinderen Ammons ganselijk in mijn hand zult geven;

Mark 6:24 En zij, uitgegaan zijnde, zeide tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Doper.
Mark 6:25 En zij, terstond met haast ingaande tot den koning, heeft het ge�ist, zeggende: Ik wil, dat gij mij nu terstond, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes den Doper.
Mark 6:26 En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, [nochtans] om de eden, en degenen, die mede aanzaten, wilde hij haar [hetzelve] niet afslaan.
Mark 6:27 s En de koning zond terstond een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;

s: Matt 14:10 En zond heen, en onthoofdde Johannes in den kerker.

Mark 6:28 En bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelve het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelve harer moeder.
Mark 6:29 En als zijn discipelen [dit] hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en legden dat in een graf.

De eerste wonderbare spijziging

Mark 6:30 t En de apostelen kwamen [weder] tot Jezus, en boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden, en wat zij geleerd hadden.

t: Luk 9:10 En de apostelen, wedergekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mede en vertrok alleen in een woeste plaats der stad, genaamd Beths��da.

Mark 6:31 En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, v en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.

v: Mark 3:20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom een schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.

Mark 6:32 x En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats, alleen.

x: Matt 14:13 En [als] Jezus [dit] hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, [dat] horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.
Luk 9:10 En de apostelen, wedergekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mede en vertrok alleen in een woeste plaats der stad, genaamd Beths��da.
Joh 6:1 Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galil�a, welke is [de zee] van Tib�rias.

Mark 6:33 En de scharen zagen hen heenvaren, en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun voor, en gingen samen tot Hem.
Mark 6:34 En Jezus, uitgaande, y zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; z want zij waren als schapen, die geen herder hebben; a en Hij begon hun vele dingen te leren.

y: Matt 9:36 En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben.
Matt 14:14 En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun kranken.

z: Jer 23:1 Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.
Ezech 34:2 Mensenkind! profeteer tegen de herders van Isra�l; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Alzo zegt de Heere HEERE: Wee den herderen Isra�ls, die zichzelven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden?

a: Luk 9:11 En de scharen, [dat] verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van node hadden, maakte Hij gezond.

Mark 6:35 b En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag;

b: Luk 9:11 En de scharen, [dat] verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van node hadden, maakte Hij gezond.
Luk 9:12 En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de schare van U, opdat zij, heengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats.
Joh 6:5 Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen?

Mark 6:36 Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broden voor zichzelven mogen kopen; want zij hebben niet, wat zij eten zullen.
Mark 6:37 Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven?
Mark 6:38 En Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat heen en beziet [het]. c En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.

c: Matt 14:17 Doch zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen.
Luk 9:13 Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en spijs kopen voor al dit volk;
Joh 6:9 Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?

Mark 6:39 En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nederzitten bij waardschappen, op het groene gras.
Mark 6:40 En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen.
Mark 6:41 En als Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, d zag Hij op naar den hemel, e zegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen.

d: Joh 17:1 Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.

e: 1Sam 9:13 Wanneer gijlieden in de stad komt, zo zult gij hem vinden, eer hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult gij hem vinden.

Mark 6:42 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden.
Mark 6:43 En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de vissen.
Mark 6:44 En die daar de broden gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen.

Jezus wandelt op zee.

Mark 6:45 f En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor henen te varen aan de andere zijde tegen [over] Beths��da, terwijl Hij de schare van Zich zou laten.

f: Matt 14:22 En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.
Joh 6:17 En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kap�rna�m. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen.

Mark 6:46 g En als Hij aan dezelve hun afscheid gegeven had, ging Hij op den berg om te bidden.

g: Matt 14:23 En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.
Luk 6:12 En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.

Mark 6:47 h En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land.

h: Mark 14:23 En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun [dien]; en zij dronken allen uit denzelven.
Joh 6:16 En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee.

Mark 6:48 En Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om [het schip] voort te krijgen; want de wind was hun tegen; en omtrent de vierde wake des nachts, kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan.
Mark 6:49 En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden, dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer;
Mark 6:50 Want zij zagen Hem allen, en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen, en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het; vreest niet.
Mark 6:51 En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelven, en waren verwonderd.
Mark 6:52 Want zij hadden niet gelet op [het wonder] der broden; want hun hart was verhard.
Mark 6:53 i En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Genn�sareth, en havenden aldaar.

i: Matt 14:34 En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Genn�saret.

Mark 6:54 En als zij uit het schip gegaan waren, terstond werden zij Hem kennende.
Mark 6:55 [En] het gehele omliggende land doorlopende, begonnen zij op beddekens degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse, waar zij hoorden, dat Hij was.
Mark 6:56 En zo waar Hij kwam, in vlekken, of steden, of dorpen, daar leiden zij de kranken op de markten, en baden Hem, dat zij maar den zoom Zijns kleeds aanraken mochten; en zovelen, als er Hem aanraakten, werden gezond.

(Visited 4 times, 1 visits today)
Updated: 01/09/2017 — 15:58

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

In de hemel is wél bier ! © 2014 Frontier Theme