Categorie: Bijbelstudie

Matthéüs 5

De zaligsprekingen

Matt 5:1 En [Jezus], de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.
Matt 5:2 En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:
Matt 5:3 a Zalig [zijn] de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

a: Luk 6:20 En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.

Matt 5:4 b Zalig [zijn] die treuren; want zij zullen vertroost worden.

b: Luk 6:21 Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.

Matt 5:5 c Zalig [zijn] de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.

c: Ps 37:11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.

Matt 5:6 d Zalig [zijn] die hongeren en dorsten [naar] de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

d: Jes 55:1 O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!

Matt 5:7 Zalig [zijn] de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
Matt 5:8 e Zalig [zijn] de reinen van hart; want zij zullen God zien.

e: Ps 15:2 Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;
Ps 24:4 Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
Hebr 12:14 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;

Matt 5:9 Zalig [zijn] de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Matt 5:10 f Zalig [zijn] die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

f: 2Kor 4:10 Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.
2Tim 2:12 Indien wij verdragen, wij zullen ook met [Hem] heersen; indien wij [Hem] verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;
1Petr 3:14 Maar indien gij ook lijdt om der gerechtigheid wil, zo zijt gij zalig; en vreest niet uit vreze van hen, en wordt niet ontroerd;

Matt 5:11 Zalig zijt gij, als u [de mensen] smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, g om Mijnentwil.

g: 1Petr 4:14 Indien gij gesmaad wordt om den Naam van Christus, zo zijt gij zalig; want de Geest der heerlijkheid, en [de Geest] van God rust op u. Wat hen aangaat, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt.

Matt 5:12 h Verblijdt en verheugt [u]; want uw loon [is] groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u [geweest zijn].

h: Luk 6:23 Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.

Het zout der aarde.
Het licht op de kandelaar

Matt 5:13 i Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal [het] gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.

i: Mark 9:50 Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.
Luk 14:34 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?

Matt 5:14 Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.
Matt 5:15 k Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis [zijn];

k: Mark 4:21 En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? [Is het] niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
Luk 8:16 En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.
Luk 11:33 En niemand, die een kaars ontsteekt, zet [die] in het verborgen, noch onder een koornmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.

Matt 5:16 l Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

l: 1Petr 2:12 En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in [u] zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

Jezus en de Wet

Matt 5:17 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om [die] te ontbinden, maar te vervullen.
Matt 5:18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, m totdat het alles zal zijn geschied.

m: Luk 16:17 En het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle.

Matt 5:19 n Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, [die] zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie [dezelve] zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

n: Jak 2:10 Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.

Matt 5:20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.

Jezus en de traditie

Matt 5:21 Gij hebt gehoord, dat [tot] de ouden gezegd is: o Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, [die] zal strafbaar zijn door het gericht.

o: Ex 20:13 Gij zult niet doodslaan.
Deut 5:17 Gij zult niet doodslaan.

Matt 5:22 Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Ráka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
Matt 5:23 Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;
Matt 5:24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.
Matt 5:25 p Weest haastelijk welgezind [jegens] uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.

p: Luk 12:58 Want als gij heengaat met uw wederpartij voor de overheid, zo doet naarstigheid op den weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.
Efez 4:26 Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;

Matt 5:26 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.
Matt 5:27 Gij hebt gehoord, dat [van] de ouden gezegd is: q Gij zult geen overspel doen.

q: Ex 20:14 Gij zult niet echtbreken.
Deut 5:18 En gij zult geen overspel doen.

Matt 5:28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw r [aan]ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.

r: Job 31:1 Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
Ps 119:37 Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.

Matt 5:29 s Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

s: Matt 18:8 Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt [zijnde], dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
Mark 9:43 En indien uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur;

Matt 5:30 En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
Matt 5:31 Er is ook gezegd: t Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.

t: Deut 24:1 Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.

Matt 5:32 v Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.

v: Matt 19:7 Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten?
Mark 10:4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en [haar] te verlaten.
Mark 10:11 En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.
Luk 16:18 Een iegelijk, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk, die de verlatene van den man trouwt, die doet [ook] overspel.
1Kor 7:10 Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.

Matt 5:33 Wederom hebt gij gehoord, dat [van] de ouden gezegd is: x Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.

x: Ex 20:7 Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
Lev 19:12 Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE.
Deut 5:11 Gij zult den Naam des HEEREN, uws Gods, niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden dengene, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.

Matt 5:34 Maar Ik zeg u: y Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;

y: Jak 5:12 Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat gij in geen oordeel valt.

Matt 5:35 Noch bij de aarde, z omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, a omdat zij is de stad des groten Konings;

z: Jes 66:1 Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?

a: Ps 48:3 Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, [aan] de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.

Matt 5:36 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;
Matt 5:37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.
Matt 5:38 Gij hebt gehoord, dat b gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.

b: Ex 21:24 Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.
Lev 24:20 Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.
Deut 19:21 En uw oog zal niet verschonen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.

Matt 5:39 Maar Ik zeg u, c dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;

c: Spr 24:29 Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
Luk 6:29 Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet [te nemen].
Rom 12:17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
1Kor 6:7 Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?
1Thess 5:15 Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
1Petr 3:9 Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven.

Matt 5:40 En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;
Matt 5:41 En zo wie u zal dwingen één mijl te gaan, gaat met hem twee [mijlen].
Matt 5:42 d Geeft dengene, die [iets] van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.

d: Deut 15:8 Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.
Luk 6:35 Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.

Matt 5:43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: e Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.

e: Lev 19:18 Gij zult niet wreken, noch [toorn] behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE!

Matt 5:44 Maar Ik zeg u: f Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en g bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;

f: Luk 6:27 Maar Ik zeg ulieden, die [dit] hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.
Rom 12:20 Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.

g: Luk 23:34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.
Hand 7:60 En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.
1Kor 4:13 Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld [en] aller afschrapsel tot nu toe.
1Petr 2:23 Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;

Matt 5:45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Matt 5:46 h Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

h: Luk 6:32 En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.

Matt 5:47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?
Matt 5:48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

Updated: 19/08/2017 — 08:12

Matthéüs 4

De verzoeking in de woestijn

Matt 4:1 Toen a werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

a: Mark 1:12 En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.
Luk 4:1 En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn;

Matt 4:2 En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.
Matt 4:3 En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.
Matt 4:4 Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: b De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.

b: Deut 8:3 En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat.

Matt 4:5 Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;
Matt 4:6 En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, c dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en [dat] zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.

c: Ps 91:11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
Ps 91:12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.

Matt 4:7 Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: d Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.

d: Deut 6:16 Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa.

Matt 4:8 Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;
Matt 4:9 En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.
Matt 4:10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: e Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.

e: Deut 6:13 Gij zult den HEERE, uw God, vrezen, en Hem dienen; en gij zult bij Zijn Naam zweren.
Deut 10:20 Den HEERE, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.

Matt 4:11 Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.

Het begin van Jezus’ prediking

Matt 4:12 Als nu Jezus gehoord had, dat f Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd g naar Galiléa;

f: Mark 1:14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods.
Luk 4:14 En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galiléa; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.

g: Luk 4:16 En Hij kwam te Názareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.
Luk 4:31 En Hij kwam af te Kapárnaüm, een stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen.
Joh 4:43 En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galiléa;

Matt 4:13 En Názareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapárnaüm, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;
Matt 4:14 Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesája, den profeet, zeggende:
Matt 4:15 h Het land Zebulon en het land Nafthali [aan den] weg der zee over de Jordaan, Galiléa der volken;

h: Jes 8:23 Maar [het land], dat beangstigd was, zal niet [gans] verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan [gelegen] over de Jordaan, aan Galiléa der heidenen.
Jes 9:1 Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.

Matt 4:16 Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan.
Matt 4:17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: i Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

i: Mark 1:15 En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.

De eerste discipelen

Matt 4:18 k En Jezus, wandelende aan de zee van Galiléa, zag twee broeders, [namelijk] Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers);

k: Mark 1:16 En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andréas, zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);

Matt 4:19 En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.
Matt 4:20 Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.
Matt 4:21 En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, [namelijk] Jakobus, den [zoon] van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedéüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.
Matt 4:22 Zij dan, terstond verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd.
Matt 4:23 En Jezus omging geheel Galiléa, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.
Matt 4:24 En Zijn gerucht ging [van daar] uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.
Matt 4:25 En vele scharen volgden Hem na, van Galiléa en [van] Dekápolis, en [van] Jeruzalem, en [van] Judéa, en [van] over de Jordaan.

Updated: 19/08/2017 — 06:01

Matthéüs 3

Johannes de Doper

Matt 3:1 En in die dagen a kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judéa,

a: Mark 1:4 Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.
Luk 3:3 En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.

Matt 3:2 En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Matt 3:3 Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!

b: Jes 40:3 Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!
Mark 1:3 De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.
Luk 3:4 Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Joh 1:23 Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesája, de profeet, gesproken heeft.

Matt 3:4 En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.

c: Mark 1:6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.

Matt 3:5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa, en het gehele land rondom de Jordaan;
Matt 3:6 En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.

d: Mark 1:5 En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.

Matt 3:7 Hij dan, ziende e velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: f Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

e: Luk 3:7 Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

f: Matt 12:34 Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.
Matt 23:33 Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?

Matt 3:8 g Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig.

g: Luk 3:8 Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.

Matt 3:9 En meent niet bij u zelven te zeggen: h Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.

h: Joh 8:39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen.

Matt 3:10 En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; i alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

i: Matt 7:19 Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Joh 15:6 Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.

Matt 3:11 Ik doop u wel met water tot bekering; k maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben [Hem na] te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.

k: Mark 1:7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden.
Luk 3:16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur;
Joh 1:15 Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik.
Joh 1:26 Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent;
Hand 1:5 Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.
Hand 1:11 Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
Hand 1:16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen, die Jezus vingen;
Hand 19:4 Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.

Matt 3:12 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.

Johannes doopt Jezus

Matt 3:13 Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.
Matt 3:14 Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?
Matt 3:15 Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.
Matt 3:16 En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.
Matt 3:17 En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

Updated: 17/08/2017 — 10:24

25 juli

“DOOR GELOOF verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden” (Hebreeën 11:3). In vers 1 staat: “Het
geloof is een bewijs van de zaken, die men NIET ziet”.
Het is het Goddelijke principe: “DOOR GELOOF VERSTAAN”.
De wereld wil alles wetenschappelijk bewijzen, God zegt: “Het geloof is een bewijs …..”.
God de Allerhoogste is de Auteur van de Bijbel. Zijn Geest heeft Zijn Woord door mensen laten opschrijven (2 Petrus 1:21). Het is het Woord GODS, het Woord van Hem Die de hemel, de aarde en de mens schiep. Voor wat de mens betreft, mogen we vragen naar de bewijzen van de waarheid zijner woorden. God eist onvoorwaardelijk geloof.
“Des HEREN Woord is recht” (Psalm 33:4). Hij heeft er recht op, dat wij Hem volkomen geloven. Er is ook geen andere mogelijkheid voor de mens om tot kennis der waarheid te komen of om Gode
welgevallig te zijn (Hebreeën 11:6). “Uw Woord is de Waarheid” zei de Heer Jezus tot Zijn God en Vader (Johannes 17:17). DE Waarheid.
Buiten het Woord om is er geen waarheid aangaande God en de eeuwige dingen.
Alleen in en door het Woord heeft Hij Zichzelf doen kennen. De Bijbel toont ons Zijn grootheid en Zijn almacht, maar ook Zijn heiligheid, rechtvaardigheid, liefde en genade, geopenbaard in Jezus Christus, Zijn Zoon.
Alleen door dit Woord kunnen we leren verstaan wat Zijn wil is met ons. Door geloof verstaan wij. Wij, die in Christus kinderen Gods zijn. Gods Woord openbaart ons de verborgen wijsheid Gods
(1 Korinthe 2:7), door Gods Geest Die in ons woont, als wij ons gelovig buigen voor dat Woord.
“Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn” (1 Korinthe 2:12). Hoe kostbaar is de Bijbel, het Woord Gods, voor hen die geloven!

Lezen: 1 Korinthe 2:6-12

Updated: 25/07/2017 — 03:44

De antichrist is onder ons

In het artikel van het blad Amen staat onder andere:

MaitreyaDe laatste tijd staat de Maitreya weer in de belangstelling. Velen noemen hem “meester” of “christus “. Hij heeft een profeet, †Benjamin Creme. In het blad “Share” worden zijn profetieën bekend gemaakt en wordt gesproken over zijn wonderbaarlijke verschijningen in verschillende menselijke gedaanten. Wij zijn hier getuige van de combinatie van een valse profeet, een valse christus en een valse leer gepaard gaande met wonderen. Precies zoals de Heer Jezus dat zei: “Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden. Matth 24.24, Mark. 13:22 In april van dit jaar werd “de wederverschijning ” van Maitreya als dé christus op nieuw aangekondigd. Spoedig zal Maitreya zijn aanwezigheid onomstotelijk bewijzen en oproepen tot een eens gezinde inspanning om deze wereld te redden. Via de televisie zullen zijn woorden op grote schaal weerklinken. Onder zijn stimulans zullen de mensen krachtdadig de omstandigheden scheppen, waarin de mensheid in vrede kan leven …..

De Maitreya verschijnt vanaf 1988 regelmatig “uit het niets ” voor grote groepen (meestal fundamentalistische christenen), waarbij hij telkens als de “christus ” wordt herkend. Zo is hij gesignaleerd in Amerika, Afrika, Rusland, Servië, Italië, Spanje, Azië, Zwitserland, Mexico, Duitsland, Noorwegen, Oostenrijk en Schotland. In Nairobi werd hij gefotografeerd, toen hij daar duizenden mensen toesprak op een (Christelijke) genezingsbijeenkomst. Dit jaar verscheen hij op 26 februari in Nederland. Volgens eerdere profetieën had deze oosterling, zich in 1982 reeds wereldwijd als “christus” moeten openbaren. Echter de media schonken er onvoldoende aandacht aan, reden voor hem, om zijn macht nog niet aan de wereld te tonen.

Dat is het verhaal van Maitreya en zijn profeet en zijn aanhang. In de Telegraaf hebben zelfs paginagrote advertenties gestaan. We kregen toentertijd even de zenuwen. Ik herinner mij dat een broeder zich boos maakte. Hij liet toen o.a. in de Telegraaf advertenties plaatsen met de mededeling: “Als dit werkelijk gebeurt, dan is hij de antichrist. ” Toen het niet doorging, hebben wij hartelijk gelachen.

Het artikel vervolgt met:

Opnieuw werd aangekondigd, dat dit in het weekend van 20 en 21 april 1990 zou plaatshebben. Dit gebeurde niet, omdat de mensheid er nog niet rijp voor was. Wanneer mensen hem zouden erkennen, zou zijn “verklaringsdag” spoedig aanbreken. Volgens zijn profetie van april jongstleden, zou de wereld hem ditmaal wel willen ontvangen. Wat gebeurt er dan? De gehele wereld zal hij mentaal “overschaduwen”en hij zal er geen twijfel meer over laten bestaan, dat hij de enige echte wereldleraar is. Wanneer die dag aanbreekt zal iedere volgeling hem langs telepathische weg, innerlijk horen in zijn eigen taal.

Lees verder

Updated: 08/07/2017 — 22:55

Exodus 22

Bescherming van het eigendom.

Exo 22:1 Wanneer a) iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee.

a) 2Sa 12:6 En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft.

Exo 22:2 Indien een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn.

Lees verder

Updated: 06/07/2017 — 22:31

Exodus 21

Bescherming van de lijfeigenen.

Exo 21:1 Dit nu zijn de rechten, die gij hun zult voorstellen.
Exo 21:2 Als a) gij een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet.

a) Deu 15:12 Wanneer uw broeder, een Hebreer of een Hebreinne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan.
Jer 34:14 Ten einde van zeven jaren zult gij laten gaan, een iegelijk zijn broeder, een Hebreer, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; gij zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.

Exo 21:3 Indien hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zo zal hij met zijn lijf uitgaan; indien hij een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan.
Exo 21:4 Indien hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochteren gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen haars heren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan.
Exo 21:5 b) Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan;

Lees verder

Updated: 06/07/2017 — 16:03

Exodus 20

De Tien Geboden

Exo 20:1 Toen sprak God al deze woorden, zeggende:
Exo 20:2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, a) uit het diensthuis, uitgeleid heb.

a) Exo 13:3 Verder zeide Mozes tot het volk: Gedenkt aan dezen zelfden dag, op welken gijlieden uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want de HEERE heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden.
Deu 5:6 Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.
Psa 81:11 Ik ben de Heere, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

Exo 20:3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Exo 20:4 b) Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

Lees verder

Updated: 06/07/2017 — 16:00

Exodus 19

De voorbereiding voor de wetgeving

Exo 19:1 In de derde maand, na het uittrekken der kinderen Israels uit Egypteland, ten zelfden dage kwamen zij in de woestijn Sinai.
Exo 19:2 Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich in de woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.
Exo 19:3 a) En Mozes klom op tot God. En de HEERE riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en den kinderen Israels verkondigen:

a) Act 7:38 Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinai, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.

Exo 19:4 b) Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen, en u tot Mij gebracht heb.

Lees verder

Updated: 06/07/2017 — 15:44

Exodus 18

Jethro bezoekt Mozes.

Exo 18:1 Toen a) Jethro, priester van Midian, schoonvader van Mozes, hoorde al wat God aan Mozes, en aan Israel, Zijn volk, gedaan had: dat de HEERE Israel uit Egypte uitgevoerd had;

a) Exo 2:16 En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken.
Exo 3:1 En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, den priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aan Horeb.

Exo 18:2 Zo nam Jethro, Mozes’ schoonvader, Zippora, Mozes’ huisvrouw (nadat hij haar wedergezonden had),
Exo 18:3 Met haar twee zonen, b) welker enes naam was Gersom (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land);

Lees verder

Updated: 06/07/2017 — 14:14

Exodus 17

Water uit de rotsteen.

Exo 17:1 Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
Exo 17:2 Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! a) Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?

a) Num 20:3 En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij den geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des HEEREN den geest gaven!
Num 20:4 Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des HEEREN in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?

Exo 17:3 Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deedt sterven?
Exo 17:4 Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.
Exo 17:5 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israel; en neem uw staf in uw hand, b) waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.

Lees verder

Updated: 06/07/2017 — 10:25

Exodus 16

Kwakkels en manna.

Exo 16:1 Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering der kinderen Israels in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinai, aan den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.
Exo 16:2 En de ganse vergadering der kinderen Israels murmureerde tegen Mozes en tegen Aaron(verheven berg, lichtbrenger), in de woestijn.
Exo 16:3 a) En de kinderen Israels zeiden tot hen: b) Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden.

Lees verder

Updated: 06/07/2017 — 09:11
Pagina 1 van 41234
In de hemel is wél bier ! © 2014 Frontier Theme