Categorie: Bijbelstudie

Eigen Volk Eerst!!

Eigen volk eerst – Omdat Christenen in de Bijbelse betekenis niet verantwoordelijk zijn voor de wereld, maar wel voor hun eigen huis, is ‘Eigen volk eerst’ eigenlijk hun principe. De ‘huisgenoten des geloofs’ zijn hun broeders en zusters. De Schrift leert dat God Zich een volk verzamelt voor Zijn naam. De wereld legt haar lot in handen van de staat. Het is de bedoeling dat christenen hun leven aan de Heer overgeven, daarna verantwoordelijk zijn voor (mede) huisgenoten en verder een bestaan leiden in een vijandige wereld. In het licht van de Bijbel is het fenomeen ‘wereldburger’ een dwaasheid. Een gelovige is primair een hemelburger en het is Gods bedoeling dat vreemdelingen in het land dat ook worden, zoals buiten-staanders destijds eerst Israëliet moesten worden om aan het Pascha te kunnen deelnemen. Voor een christen is belangrijk te weten wie zijn broeder en zijn vijand is. De met andere goden naar Israël komende vreemdeling mocht zich niet in het land vestigen. Dat is een voorbeeld voor de Gemeente van Christus.

‘Laat ons goed doen aan allen, meest aan de huisgenoten’

Markus 3

De man met de dorre hand.

Mark 3:1 En a Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.

a: Matt 12:9 En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.
Luk 6:6 En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.

Mark 3:2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
Mark 3:3 En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.
Mark 3:4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.
Mark 3:5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; b en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.

b: 1Kon 13:6 Toen antwoordde de koning, en zeide tot den man Gods: Aanbid toch het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ernstelijk, en bid voor mij, dat mijn hand weder tot mij kome! Toen bad de man Gods het aangezicht des HEEREN ernstelijk; en de hand des konings kwam weder tot hem, en werd gelijk te voren.

Mark 3:6 c En de Farize�n, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden.

c: Matt 12:14 En de Farize�n, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.
Joh 10:39 Zij zochten dan wederom Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand.
Joh 11:53 Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.

De toeloop der schare.

Mark 3:7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; d en Hem volgde een grote menigte van Galil�a, en van Jud�a,

d: Matt 4:25 En vele scharen volgden Hem na, van Galil�a en [van] Dek�polis, en [van] Jeruzalem, en [van] Jud�a, en [van] over de Jordaan.
Luk 6:17 En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en [met Hem] de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Jud�a en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon; (6:18) Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden,

Mark 3:8 En van Jeruzalem, en van Idum�a, en [van] over de Jordaan; en die [van] omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.
Mark 3:9 En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.
Mark 3:10 Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die [enige] kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
Mark 3:11 En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods!
Mark 3:12 En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.

De roeping der twaalve.

Mark 3:13 e En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem.

e: Matt 10:1 En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwale te genezen.
Mark 6:7 En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.
Luk 6:13 En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
Luk 9:1 En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.

Mark 3:14 En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;
Mark 3:15 En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.
Mark 3:16 En Simon gaf Hij den [toe] naam Petrus;
Mark 3:17 En Jakobus, den [zoon] van Zebed��s, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun [toe] namen, Boan�rges, hetwelk is, zonen des donders;
Mark 3:18 En Andr�as, en Filippus, en Bartholom��s, en Matth��s, en Thomas, en Jakobus, den [zoon] van Alf��s, en Thadd��s, en Simon Kanan�tes,
Mark 3:19 En Judas Isk�riot, die Hem ook verraden heeft.

Jezus en Be�zebul.

Mark 3:20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom een schare, alzo dat zij ook zelfs f niet konden brood eten.

f: Mark 6:31 En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.

Mark 3:21 En als degenen, die Hem bestonden, [dit] hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.
Mark 3:22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: g Hij heeft Be�lzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.

g: Matt 9:34 Maar de Farize�n zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.
Matt 12:24 Maar de Farize�n, [dit] gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Be�lzebul, den overste der duivelen.
Luk 11:15 Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Be�lzebul, den overste der duivelen.
Joh 8:48 De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat Gij een Samaritaan zijt, en den duivel hebt?

Mark 3:23 En hen tot Zich geroepen hebbende, h zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?

h: Matt 12:25 Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.

Mark 3:24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.
Mark 3:25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.
Mark 3:26 En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.
Mark 3:27 i Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, k indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.

i: Matt 12:29 Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.

k: Kol 2:15 [En] de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.

Mark 3:28 Voorwaar, Ik zeg u, l dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;

l: 1Sam 2:25 Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen den HEERE zondigt, wie zal voor hem bidden? Doch zij hoorden de stem huns vaders niet, want de HEERE wilde hen doden.
Matt 12:31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.
Luk 12:10 En een iegelijk, die [enig] woord spreken zal tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden.
1Joh 5:16 Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal [God] bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, [zeg ik], die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve [zonde] zeg ik niet, dat hij zal bidden.

Mark 3:29 m Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.

m: 1Joh 5:16 Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal [God] bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, [zeg ik], die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve [zonde] zeg ik niet, dat hij zal bidden.

Mark 3:30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.

Jezus’ ware verwanten.

Mark 3:31 n Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.

n: Matt 12:46 En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.
Luk 8:19 En Zijn moeder en [Zijn] broeders kwamen tot Hem, en konden bij Hem niet komen, vanwege de schare.

Mark 3:32 En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U.
Mark 3:33 En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?
Mark 3:34 En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.
Mark 3:35 o Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.

o: Joh 15:14 Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede.
2Kor 5:16 Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij [Hem] nu niet meer [naar het vlees].
2Kor 5:17 Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.

Updated: 01/09/2017 — 12:28

Markus 2

De genezing van een geraakte.

Mark 2:1 En a na [sommige] dagen is Hij wederom binnen Kap�rna�m gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.

a: Matt 9:1 En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad.
Luk 5:17 En het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, en [er] zaten Farize�n en leraars der wet, die van alle vlekken van Galil�a, en Jud�a, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was [er] om hen te genezen.

Mark 2:2 En terstond vergaderden [daar] velen, alzo dat ook zelfs de [plaatsen] omtrent de deur [hen] niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.
Mark 2:3 b En er kwamen [sommigen] tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd.

b: Matt 9:1 En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad.
Luk 5:18 En ziet, [enige] mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen.

Mark 2:4 En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en [dat] opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag.
Mark 2:5 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.
Mark 2:6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:
Mark 2:7 Wat spreekt Deze aldus [gods] lasteringen? c Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?

c: Ps 32:5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.
Ps 51:3 Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.
Jes 43:25 Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.

Mark 2:8 En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?
Mark 2:9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?
Mark 2:10 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):
Mark 2:11 Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.
Mark 2:12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!

De roeping van Levi.

Mark 2:13 d En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.

d: Matt 9:9 En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Matth��s; en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
Luk 5:27 En na dezen ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij.

Mark 2:14 En voorbijgaande zag Hij Levi, [den zoon] van Alf��s zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
Mark 2:15 En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd.
Mark 2:16 En de Schriftgeleerden en de Farize�n, ziende Hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijn discipelen: Wat [is het], dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?
Mark 2:17 En Jezus, [dat] horende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. e Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.

e: Matt 9:13 Doch gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
Matt 21:31 Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.
Luk 5:32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
Luk 19:10 Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
1Tim 1:15 Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.

Het vasten.

Mark 2:18 f En de discipelen van Johannes en der Farize�n vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der Farize�n, en Uw discipelen vasten niet?

f: Matt 9:14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farize�n veel, en Uw discipelen vasten niet?
Luk 5:33 En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook [de discipelen] der Farize�n, maar de Uwe eten en drinken?

Mark 2:19 En Jezus zeide tot hen: g Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij den Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.

g: Jes 62:5 Want [gelijk] een jongeling een jonkvrouw trouwt, [alzo] zullen uw kinderen u trouwen; en [gelijk] de bruidegom vrolijk is over de bruid, [alzo] zal uw God over u vrolijk zijn.
2Kor 11:2 Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om [u als] een reine maagd aan een man voor te stellen, [namelijk] aan Christus.

Mark 2:20 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in dezelve dagen.
Mark 2:21 En niemand naait een lap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt deszelfs nieuwe aangenaaide lap [iets] af van het oude [kleed], en er wordt een ergere scheur.
Mark 2:22 h En niemand doet nieuwen wijn in oude [lederzakken]; anders doet de nieuwe wijn de [leder] zakken bersten en de wijn wordt uitgestort, en de [leder] zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe [leder] zakken doen.

h: Matt 9:17 Noch doet men nieuwen wijn in oude [leder] zakken; anders zo bersten de [leder] zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de [leder] zakken verderven, maar men doet nieuwen wijn in nieuwe [leder] zakken, en beide te zamen worden behouden.

Het aren plukken op den sabbat.

Mark 2:23 i En het geschiedde, dat Hij op een sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken.

i: Deut 23:25 Wanneer gij zult gaan in uws naasten staande koren, zo zult gij de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult gij aan uws naasten staande koren niet bewegen.
Matt 12:1 In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.
Luk 6:1 En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, [die] wrijvende met de handen.

Mark 2:24 En de Farize�n zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op den sabbatdag, k wat niet geoorloofd is?

k: Ex 20:10 Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; [dan] zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, [noch] uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;

Mark 2:25 En Hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat l David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en dengenen, die met hem [waren]?

l: 1Sam 21:6 Toen gaf de priester hem dat heilige [brood], dewijl er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht des HEEREN weggenomen waren, dat men er warm brood leide, ten dage als dat weggenomen werd.

Mark 2:26 Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, ten tijde van Abjathar, den hogepriester, en de toonbroden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten, m dan den priesteren, en ook gegeven heeft dengenen, die met hem waren?

m: Lev 24:9 En het zal voor A�ron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid der heiligheden uit de vuurofferen des HEEREN, een eeuwige inzetting.

Mark 2:27 En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mens, niet de mens om den sabbat.
Mark 2:28 n Zo is dan de Zoon des mensen een Heere ook van den sabbat.

n: Matt 12:8 Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
Luk 6:5 En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.

Updated: 01/09/2017 — 12:17

Markus 1

Johannes de Doper

Mark 1:1 Het begin des Evangelies van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van God.
Mark 1:2 Gelijk geschreven is in de profeten: a Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.

a: Mal 3:1 Ziet, Ik zende Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de HEERE der heirscharen.
Matt 11:10 Want deze is het, van dewelken geschreven staat: Ziet, Ik zende Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen.
Luk 7:27 Deze is het, van welken geschreven is: Ziet, Ik zende Mijn engel voor uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.

Mark 1:3 b De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.

b: Jes 40:3 Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!
Matt 3:3 Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Luk 3:4 Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Joh 1:23 Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesája, de profeet, gesproken heeft.

Mark 1:4 c Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.

c: Matt 3:1 En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judéa,
Luk 3:3 En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.
Joh 3:23 En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt.

Mark 1:5 d En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.

d: Matt 3:5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa, en het gehele land rondom de Jordaan;
Luk 3:7 Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

Mark 1:6 e En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at f sprinkhanen en wilde honig.

e: 2Kon 1:8 En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig [kleed], en met een lederen gordel gegord om zijn lenden. Toen zeide hij: Het is Elía, de Thisbiet.
Matt 3:4 En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.

f: Lev 11:22 Van die zult gij deze eten: den sprinkhaan naar zijn aard, en den solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.

Mark 1:7 g En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden.

g: Matt 3:11 Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben [Hem na] te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.
Luk 3:16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur;
Joh 1:27 Dezelve is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.

Mark 1:8 h Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen i met den Heiligen Geest.

h: Matt 3:11 Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben [Hem na] te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.
Hand 1:5 Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.
Hand 11:16 En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest.
Hand 19:4 Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.

i: Jes 44:3 Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.
Joel 2:28 En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;
Hand 2:4 En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
Hand 11:15 En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin.

Johannes doopt Jezus.

Mark 1:9 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Názareth, [gelegen] in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.
Mark 1:10 k En terstond, als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan, en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.

k: Matt 3:16 En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.
Luk 3:21 En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus [ook] gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd;
Joh 1:32 En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.

Mark 1:11 En er geschiedde een stem uit de hemelen: l Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

l: Ps 2:7 Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Jes 42:1 Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, [in Denwelken] Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.
Matt 3:17 En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
Matt 17:5 Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!
Mark 9:7 En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem!
Luk 3:22 En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!
Luk 9:35 En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem!
Kol 1:13 Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde;
2Petr 1:17 Want Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.

De verzoeking in de woestijn.

Mark 1:12 m En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.

m: Matt 4:1 Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.
Luk 4:1 En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn;

Mark 1:13 En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.

Het begin van Jezus’ prediking.

Mark 1:14 n En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods.

n: Matt 4:12 Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd naar Galiléa;
Luk 4:14 En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galiléa; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.
Joh 4:43 En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galiléa;

Mark 1:15 En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; o bekeert u, en gelooft het Evangelie.

o: Jes 56:1 Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.

De eerste discipelen.

Mark 1:16 p En wandelende bij de Galilése zee, zag Hij Simon en Andréas, zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);

p: Matt 4:18 En Jezus, wandelende aan de zee van Galiléa, zag twee broeders, [namelijk] Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers);

Mark 1:17 En Jezus zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal maken, dat gij vissers q der mensen zult worden.

q: Jer 16:16 Ziet, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt de HEERE, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op allen berg, en van op allen heuvel, ja, uit de kloven der steenrotsen.
Ezech 47:10 Ook zal het geschieden, dat er vissers aan dezelve zullen staan, van En-Gédi aan tot En-Eglaïm toe; daar zullen [plaatsen] zijn [tot] uitspreiding der netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig.

Mark 1:18 r En zij, terstond hun netten verlatende, zijn Hem gevolgd.

r: Matt 19:27 Toen antwoordde Petrus, en zeide tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden?
Mark 10:28 En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
Luk 5:11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.
Luk 18:28 En Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.

Mark 1:19 s En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag Hij Jakobus, den [zoon] van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder, en dezelven in het schip hun netten vermakende.

s: Matt 4:21 En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, [namelijk] Jakobus, den [zoon] van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedéüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.

Mark 1:20 En terstond riep Hij hen; en zij, latende hun vader Zebedéüs in het schip, met de huurlingen, zijn Hem nagevolgd.

De bezetene te Kapérnum.

Mark 1:21 t En zij kwamen binnen Kapérnaüm; en terstond op den sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij.

t: Matt 4:13 En Názareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapérnaüm, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;
Luk 4:31 En Hij kwam af te Kapérnaüm, een stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen.

Mark 1:22 v En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.

v: Matt 7:28 En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, [dat] de scharen zich ontzetten over Zijn leer;
Luk 4:32 En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht.

Mark 1:23 x En er was in hun synagoge een mens, met een onreinen geest, en hij riep uit,

x: Luk 4:33 En in de synagoge was een mens, hebbende een geest eens onreinen duivels; en hij riep uit met grote stemme,

Mark 1:24 Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U [te doen], Gij Jezus Nazaréner, zijt Gij gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, [namelijk] de Heilige Gods.
Mark 1:25 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga uit van hem.
Mark 1:26 En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met een grote stem, ging uit van hem.
Mark 1:27 En zij werden allen verbaasd, zodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat Hij met macht ook den onreinen geesten gebiedt, en zij Hem gehoorzaam zijn!
Mark 1:28 En Zijn gerucht ging terstond uit, in het gehele omliggende land van Galiléa.

De schoonmoeder van Petrus.

Mark 1:29 y En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andréas, met Jakobus en Johannes.

y: Matt 8:14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder [te bed] liggen, hebbende de koorts.
Luk 4:38 En [Jezus], opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.

Mark 1:30 En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij Hem van haar.
Mark 1:31 En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.
Mark 1:32 z Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.

z: Matt 8:16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de [boze] geesten uit met den woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;
Luk 4:40 En als de zon onderging, brachten allen, die kranken hadden, met verscheidene ziekten [bevangen], die tot Hem, en Hij leide een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve.

Mark 1:33 En de gehele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.
Mark 1:34 En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.

Prediking in geheel Galiléa.

Mark 1:35 a En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging henen in een woeste plaats, b en bad aldaar.

a: Luk 4:42 En als het dag werd, ging Hij uit, en trok naar een woeste plaats; en de scharen zochten Hem, en kwamen tot bij Hem, en hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan.

b: Matt 14:23 En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.

Mark 1:36 En Simon, en die met hem [waren], zijn Hem nagevolgd.
Mark 1:37 En zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: Zij zoeken U allen.
Mark 1:38 En Hij zeide tot hen: c Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat Ik ook daar predike; d want daartoe ben Ik uitgegaan.

c: Luk 4:43 Maar Hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen; want daartoe ben Ik uitgezonden.

d: Jes 61:1 De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis;
Luk 4:18 De Geest des Heeren [is] op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; (4:19) Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid;

Mark 1:39 En Hij predikte in hun synagogen, door geheel Galiléa, en wierp de duivelen uit.

De reiniging van een melaatse.

Mark 1:40 e En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

e: Matt 8:2 En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
Luk 5:12 En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er [was] een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

Mark 1:41 En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!
Mark 1:42 En als Hij [dit] gezegd had, ging de melaatsheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.
Mark 1:43 En als Hij hem strengelijk verboden had, deed Hij hem terstond van Zich gaan;
Mark 1:44 En zeide tot hem: Zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, hetgeen f Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

f: Lev 13:2 Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag der melaatsheid zou worden, hij zal dan tot den priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesteren, gebracht worden.
Lev 14:1 Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

Mark 1:45 Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen, en dat woord te verbreiden, alzo dat Hij niet meer openbaar in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot Hem van alle kanten.

Updated: 01/09/2017 — 10:54

Matthéüs 28

De opstanding.

Matt 28:1 En a laat [na] de sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten [dag] der week, kwam Maria Magdal�na, en de andere Maria, om het graf te bezien.

a: Mark 16:1 En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdal�na, en Maria, [de moeder] van Jakobus, en Salom� specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden.
Luk 24:1 En op den eersten [dag] der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar.
Joh 20:1 En op den eersten [dag] der week ging Maria Magdal�na vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag den steen van het graf weggenomen.

Matt 28:2 En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven.
Matt 28:3 En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw.

b: Dan 7:9 [Dit] zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur.
Hand 1:10 En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;

Matt 28:4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden.
Matt 28:5 Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; c want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.

c: Mark 16:6 Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazar�ner, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.
Luk 24:4 En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende klederen.

Matt 28:6 Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij d gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.

d: Matt 16:21 Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.
Matt 17:23 En zij zullen Hem doden, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd.
Matt 20:19 En zij zullen Hem den heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
Mark 8:31 En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan.
Mark 9:31 Want Hij leerde Zijn discipelen, en zeide tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij ten derden dage wederopstaan.
Mark 10:34 En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
Luk 9:22 Zeggende: De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en ten derden dage opgewekt worden.
Luk 18:33 En [Hem] gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derden dage zal Hij wederopstaan.
Luk 24:6 Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galil�a was,

Matt 28:7 En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galil�a, e daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het ulieden gezegd.

e: Matt 26:33 Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U ge�rgerd, ik zal nimmermeer ge�rgerd worden.
Mark 16:7 Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galil�a; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.

Matt 28:8 f En haastelijk uitgaande van het graf, met vreze en grote blijdschap, liepen zij henen, om [hetzelve] Zijn discipelen te boodschappen.

f: Mark 16:8 En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd.
Joh 20:18 Maria Magdal�na ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en [dat] Hij haar dit gezegd had.

Matt 28:9 En als zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet, g Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet! En zij, tot [Hem] komende, grepen Zijn voeten, en aanbaden Hem.

g: Mark 16:9 En als [Jezus] opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten [dag] der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdal�na, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
Joh 20:14 En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was.

Matt 28:10 Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt Mijn broederen, dat zij heengaan naar Galil�a, en h aldaar zullen zij Mij zien.

h: Hand 1:3 Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.
Hand 13:31 Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galil�a tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk.
1Kor 15:5 En dat Hij is van C�fas gezien, daarna van de twaalven.

Matt 28:11 En als zij heengingen, ziet, enigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten den overpriesters al de dingen, die geschied waren.
Matt 28:12 En zij vergaderd zijnde met de ouderlingen, en te zamen raad genomen hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel gelds,
Matt 28:13 En zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben Hem gestolen, als wij sliepen.
Matt 28:14 En indien zulks komt gehoord te worden van den stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen, en maken, dat gij zonder zorg zijt.
Matt 28:15 En zij, het geld genomen hebbende, deden, gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigen dag.

De opdracht aan de discipelen.

Matt 28:16 En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galil�a, naar den berg, i waar Jezus hen bescheiden had.

i: Matt 26:32 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galil�a.
Mark 14:28 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galil�a.

Matt 28:17 En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.
Matt 28:18 En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: k Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

k: Ps 8:7 Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
Matt 11:27 Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren.
Luk 10:22 Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en dien het de Zoon zal willen openbaren.
Joh 3:35 De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.
Joh 17:2 Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve.
1Kor 15:27 Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat [Hem] alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.
Efez 1:22 En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen;
Hebr 2:8 Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;

Matt 28:19 l Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes;  lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.

l: Mark 16:15 En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.
Joh 15:16 Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en [dat] uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u [dat] geve.

Matt 28:20 m En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

m: Joh 14:18 Ik zal u geen wezen laten; Ik kom [weder] tot u.

Updated: 01/09/2017 — 10:08

Matthéüs 27

Het einde van Judas

Matt 27:1 Als a het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden.

a: Ps 2:2 De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, [zeggende]:
Mark 15:1 En terstond, des morgens vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met de ouderlingen en Schriftgeleerden, en den gehelen raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij [Hem] heen, en gaven [Hem] aan Pilatus over.
Luk 22:66 En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,
Luk 23:2 En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.
Joh 18:28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was ’s morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.

Matt 27:2 En Hem gebonden hebbende, leidden zij [Hem] weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder.

b: Hand 3:13 De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men [Hem] zoude loslaten.

Matt 27:3 Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren [penningen] den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht,
Matt 27:4 Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons [dat] aan? Gij moogt toezien.
Matt 27:5 En als hij de zilveren [penningen] in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde [zichzelven].

c: 1Sam 17:23 Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam de kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtereenvolgens die woorden; en David hoorde ze.
Hand 1:18 Deze dan heeft verworven een akker, door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.

Matt 27:6 En de overpriesters, de zilveren [penningen] nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.
Matt 27:7 En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.

d: Hand 1:19 En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds.

Matt 27:8 Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag.
Matt 27:9 Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jerem�a, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren [penningen] genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Isra�ls, Denwelken zij gewaardeerd hebben;

e: Zach 11:12 Want ik had tot henlieden gezegd: Indien het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen.

Matt 27:10 En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.

Voor Pilatus

Matt 27:11 En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het.

f: Mark 15:2 En Pilatus vraagde Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordende, zeide tot hem: Gij zegt het.
Luk 23:3 En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.
Joh 18:33 Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?

Matt 27:12 En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
Matt 27:13 Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele [zaken] zij tegen U getuigen?

g: Matt 26:62 En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?

Matt 27:14 Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.

h: Jes 53:7 [Als] dezelve ge�ist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Hand 8:32 En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.

Matt 27:15 En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welken zij wilden.

i: Mark 15:6 En op het feest liet hij hun een gevangene los, wien zij ook begeerden.
Luk 23:7 En verstaande, dat Hij uit het gebied van Her�des was, zond hij Hem heen tot Her�des, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.
Joh 18:39 Doch gij hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt gij dan, dat ik u den Koning der Joden loslate?

Matt 27:16 En zij hadden toen een welbekenden gevangene, genaamd Bar-Abbas.

k: Mark 15:7 En er was een, genaamd Bar-Abbas, gevangen met [andere] medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had.
Luk 23:19 Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en [om] een doodslag, in de gevangenis geworpen.
Joh 18:40 Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet Dezen, maar Bar-Abbas! En Bar-Abbas was een moordenaar.

Matt 27:17 Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-Abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?
Matt 27:18 Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.
Matt 27:19 En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb [toch] niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.
Matt 27:20 Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-Abbas begeren, en Jezus doden.

l: Mark 15:11 Maar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Bar-Abbas zou loslaten.
Luk 23:18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat ons Bar-Abbas los.
Joh 18:40 Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet Dezen, maar Bar-Abbas! En Bar-Abbas was een moordenaar.
Hand 3:14 Maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden;

Matt 27:21 En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-Abbas.
Matt 27:22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen [met] Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.
Matt 27:23 Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!
Matt 27:24 Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer [dat er] oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.
Matt 27:25 En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed [kome] over ons, en over onze kinderen.

m: Hand 5:28 Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat gij in dezen Naam niet zoudt leren? En ziet, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen Mens over ons brengen.

Matt 27:26 Toen liet hij hun Bar-Abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.

Jezus bespot en weggeleid

Matt 27:27 Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over Hem de ganse bende.

n: Mark 15:16 En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de ganse bende samen;
Joh 19:2 En de krijgsknechten, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten [die] op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen kleed om;

Matt 27:28 En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
Matt 27:29 En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten [die] op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter [hand]; en vallende op hun knie�n voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
Matt 27:30 En op Hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn hoofd.
Matt 27:31 En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.
Matt 27:32 En uitgaande, vonden zij een man van Cyr�ne, met name Simon; dezen dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg.

o: Mark 15:21 En zij dwongen een Simon van Cyr�ne, die [daar] voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.
Luk 23:26 En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyr�ne, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.

Golgotha

Matt 27:33 En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,

p: Ps 69:22 (69:23) Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
Mark 15:22 En zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is, overgezet zijnde, Hoofdschedelplaats.
Luk 23:33 En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedel [plaats], kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter [zijde] en den ander ter linker [zijde].
Joh 19:7 De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt.

Matt 27:34 Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij [dien] gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
Matt 27:35 Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.

q: Mark 15:24 En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zou.
Joh 19:23 De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen, (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.

r: Ps 22:19 Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

Matt 27:36 En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.
Matt 27:37 s  En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN.

s: Mark 15:26 En het opschrift Zijner beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING DER JODEN.
Luk 23:38 En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN.
Joh 19:19 En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette [dat] op het kruis; en er was geschreven: JEZUS, DE NAZAR�NER, DE KONING DER JODEN.

Matt 27:38 Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linker [zijde].

t: Jes 53:12 Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.

Matt 27:39 En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden,

v: Ps 22:8 Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, [zeggende]:
Ps 69:21 De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
Mark 15:29 En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha! Gij, die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt,
Luk 23:35 En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten [Hem], zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.

Matt 27:40 En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis.

x: Matt 26:61 en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.
Joh 2:19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.

Matt 27:41 En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farize�n, [Hem] bespottende, zeiden:
Matt 27:42 Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Isra�ls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.
Matt 27:43 Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem [wel] wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.

y: Ps 22:9 Hij heeft [het] op den HEERE gewenteld, dat Hij hem [nu] uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!

Matt 27:44 En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren.
Matt 27:45 En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.

z: Mark 15:33 En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
Luk 23:44 En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.

Matt 27:46 En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!

a: Ps 22:2 (22:3) Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
Hebr 5:7 Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.

Matt 27:47 En sommigen van die daar stonden, [zulks] horende, zeiden: Deze roept El�as.
Matt 27:48 En terstond een van hen [toe] lopende, nam een spons, en [die] met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.

b: Ps 69:22 Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
Joh 19:29 Daar stond dan een vat vol ediks, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.

Matt 27:49 Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of El�as komt, om Hem te verlossen.
Matt 27:50 En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.

c: Luk 23:46 En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.

Matt 27:51 En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in twee�n, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.

d: 2Kron 3:14 Hij maakte ook den voorhang van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop.
Mark 15:38 En het voorhangsel des tempels scheurde in twee�n, van boven tot beneden.
Luk 23:45 En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde midden [door].

Matt 27:52 En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt;
Matt 27:53 En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.
Matt 27:54 En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon!

e: Mark 15:39 En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende, dat Hij alzo roepende den geest gegeven had, zeide: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon!
Luk 23:47 Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.

Matt 27:55 En aldaar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galil�a, om Hem te dienen.

f: Mark 15:40 En er waren ook vrouwen, van verre [dit] aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdal�na, en Maria, de moeder van Jakobus, den kleine, en van Joses, en Salom�;
Luk 23:49 En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem te zamen gevolgd waren van Galil�a, en zagen dit aan.

g: Ps 38:12 Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.

h: Luk 8:2 En sommige vrouwen, die van boze geesten en krankheden genezen waren, [namelijk] Maria, genaamd Magdal�na, van welke zeven duivelen uitgegaan waren;

Matt 27:56 Onder dewelke was Maria Magdal�na, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebed��s.

De begrafenis

Matt 27:57 En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimath�a, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.

i: Mark 15:42 En als het nu avond was geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat;
Luk 23:50 En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man,
Joh 19:38 En daarna Jozef van Arimath�a (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vreze der Joden), bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.

Matt 27:58 Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat [hem] het lichaam gegeven zou worden.
Matt 27:59 En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad.
Matt 27:60 En legde dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen [tegen] de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.

k: Mark 15:46 En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond [Hem] in dat fijne lijnwaad, en leide Hem in een graf, hetwelk uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur des grafs.
Luk 23:53 En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.

Matt 27:61 En aldaar was Maria Magdal�na, en de andere Maria, zittende tegenover het graf.

De wacht bij het graf.

Matt 27:62 Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de Farize�n tot Pilatus,
Matt 27:63 Zeggende: Heer, wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan.

l: Matt 16:21 Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.
Matt 17:23 En zij zullen Hem doden, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd.
Matt 20:19 En zij zullen Hem den heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
Mark 8:31 En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan.
Mark 10:34 En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
Luk 9:22 Zeggende: De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en ten derden dage opgewekt worden.
Luk 18:33 En [Hem] gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derden dage zal Hij wederopstaan.
Luk 24:6 Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galil�a was,

Matt 27:64 Beveel dan, dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden; en [zo] zal de laatste dwaling erger zijn, dan de eerste.
Matt 27:65 En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt een wacht; gaat heen, verzekert het, gelijk gij het verstaat.
Matt 27:66 En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.

Updated: 01/09/2017 — 09:37

Matthéüs 26

Vierde aankondiging van het lijden

Matt 26:1 En het is geschied, als Jezus al deze woorden ge�indigd had, dat Hij tot Zijn discipelen zeide:
Matt 26:2 a Gij weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.

a: Mark 14:1 En het pascha, en [het feest] der ongehevelde [broden] was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.
Luk 22:1 En het feest der ongehevelde [broden], genaamd pascha, was nabij.
Joh 13:1 En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.

Het besluit om Jezus te doden.

Matt 26:3 Toen vergaderden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen des volks, in de zaal des hogepriesters, die genaamd was Kajafas;

b: Ps 2:2 De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, [zeggende]:
Joh 11:47 De overpriesters dan en de Farize�n vergaderden den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen.
Hand 4:27 Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Her�des en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Isra�ls;
Matt 26:4 En zij beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en doden zouden.
Matt 26:5 Doch zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk.

De zalving in Bethani�.

Matt 26:6 Als nu Jezus te Bethani� was, ten huize van Simon, den melaatse,
Matt 26:7 Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan [tafel] zat.

c: Mark 14:3 En als Hij te Bethani� was, in het huis van Simon, den melaatse, daar Hij aan [tafel] zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.
Luk 7:37 En ziet, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande, dat Hij in des Farize�rs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf.
Joh 11:2 (Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder L�zarus krank was.)
Joh 12:3 Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalsten, zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf.

Matt 26:8 En Zijn discipelen, [dat] ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies?
Matt 26:9 Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en [de penningen] den armen gegeven worden.
Matt 26:10 Maar Jezus, [zulks] verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.
Matt 26:11 Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.

d: Deut 15:11 Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land.
Mark 14:7 Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.
Joh 12:8 Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.

Matt 26:12 Want als zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot [een voorbereiding van] Mijn begrafenis.
Matt 26:13 Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, [daar] zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.

Het verraad van Judas.

Matt 26:14 Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Isk�riot, tot de overpriesters,

e: Mark 14:10 En Judas Isk�riot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren.
Luk 22:4 En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.

Matt 26:15 En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren [penningen].

f: Zach 11:12 Want ik had tot henlieden gezegd: Indien het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen.

Matt 26:16 En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.

De paasmaaltijd.

Matt 26:17 En op den eersten dag der ongehevelde [broden] kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het pascha te eten?

g: Mark 14:12 En op den eersten dag der ongehevelde [broden], wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij het pascha eet?
Luk 22:7 En de dag der ongehevelde [broden] kwam, op denwelken het pascha moest geslacht worden.

h: Ex 12:17 Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelfden dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting.

Matt 26:18 En Hij zeide: Gaat heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen.
Matt 26:19 En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha.
Matt 26:20 En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.

i: Mark 14:7 Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.
Luk 22:14 En als de ure gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.
Joh 13:21 Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden.

Matt 26:21 En toen zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u, Mij zal verraden.

k: Hand 1:17 Want hij was met ons gerekend, en had het lot dezer bediening verkregen.

Matt 26:22 En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?
Matt 26:23 En Hij, antwoordende, zeide: Die de hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden.

l: Ps 41:10 Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
Luk 22:21 Doch ziet, de hand desgenen, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.
Joh 13:18 Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar [dit geschiedt], opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven.

Matt 26:24 De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt; het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest.
Matt 26:25 En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.
Matt 26:26 En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.

m: Mark 14:22 En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
Luk 22:19 En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
1Kor 11:23 Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam;

Matt 26:27 En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun [dien], zeggende: Drinkt allen daaruit;
Matt 26:28 Want dat is Mijn bloed, het [bloed] des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.

n: Ex 24:8 Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zeide: Ziet, [dit is] het bloed des verbonds, hetwelk de HEERE met ulieden gemaakt heeft over al die woorden.

Matt 26:29 En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.
Matt 26:30 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.

o: Mark 14:26 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.
Luk 22:39 En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar den Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.
Joh 18:1 Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.

Petrus’ verloochening voorzegd.

Matt 26:31 Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij ge�rgerd worden in dezen nacht; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.

p: Zach 13:7 Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.
Joh 16:32 Ziet, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne, en gij Mij alleen zult laten; en [nochtans] ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij.

Matt 26:32 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galil�a.

q: Mark 14:28 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galil�a.
Mark 16:7 Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galil�a; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.

Matt 26:33 Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U ge�rgerd, ik zal nimmermeer ge�rgerd worden.

r: Luk 22:33 En hij zeide tot Hem: Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan.

Matt 26:34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.

s: Joh 13:38 Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.
Matt 26:35 Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

Gets�man�

Matt 26:36 Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Geths�man�, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben.

t: Mark 14:32 En zij kwamen in een plaats, welker naam was Geths�man�, en Hij zeide tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben.
Luk 22:39 En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar den Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.
Joh 18:1 Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.

Matt 26:37 En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebed��s, begon Hij droevig en zeer beangst te worden.
Matt 26:38 Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.

v: Joh 12:27 Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.

Matt 26:39 En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij [wilt].

x: Luk 22:41 En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,

y: Matt 20:22 Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen.
Matt 20:23 En Hij zeide tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop, waarmede Ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linker[hand], staat bij Mij niet te geven, maar [het zal gegeven worden] dien het bereid is van Mijn Vader.

z: Joh 6:38 Want Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft.

Matt 26:40 En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet ��n uur met Mij waken?
Matt 26:41 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

a: Gal 5:17 Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.

Matt 26:42 Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede!
Matt 26:43 En komende [bij hen], vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren bezwaard.
Matt 26:44 En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden.
Matt 26:45 Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt [nu] voort, en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.
Matt 26:46 Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.

Jezus geeft Zich gevangen.

Matt 26:47 En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, [gezonden] van de overpriesters en ouderlingen des volks.

b: Mark 14:43 En terstond, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, [gezonden] van de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen.
Luk 22:47 En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen.
Joh 18:3 Judas dan, genomen hebbende de bende [krijgsknechten] en [enige] dienaars van de overpriesters en Farize�n, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.

Matt 26:48 En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.
Matt 26:49 En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem.

c: 2Sam 20:9 En Joab zeide tot Am�sa: Is het wel met u, mijn broeder? En Joab vatte met de rechterhand den baard van Am�sa, om hem te kussen.

Matt 26:50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
Matt 26:51 En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af.
Matt 26:52 Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.

d: Gen 9:6 Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.
Openb 13:10 Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat [zelf] in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.

Matt 26:53 Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?
Matt 26:54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, [die zeggen], dat het alzo geschieden moet?

e: Ps 22:7 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

Matt 26:55 Terzelfder ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen;
Matt 26:56 Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.

f: Job 19:13 Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.
Ps 88:9 Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.

Voor den Groten Raad.

Matt 26:57 Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, den hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.

g: Mark 14:53 En zij leidden Jezus henen tot den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de Schriftgeleerden.
Luk 22:54 En zij grepen Hem en leidden [Hem weg], en brachten Hem in het huis des hogepriesters. En Petrus volgde van verre.
Joh 18:12 De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;

Matt 26:58 En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal des hogepriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.
Matt 26:59 En de overpriesters, en de ouderlingen, en de gehele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet.

h: Mark 14:55 En de overpriesters, en de gehele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet.
Hand 6:13 En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.

Matt 26:60 En hoewel er vele valse getuigen gekomen waren, zo vonden zij [toch] niet. (26:61) Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen,
Matt 26:61 en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.

i: Joh 2:19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.

Matt 26:62 En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?

k: Mark 14:60 En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U;

Matt 26:63 Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?

l: Jes 53:7 [Als] dezelve ge�ist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Matt 27:12 En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
Matt 27:14 Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.

Matt 26:64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter [hand] der kracht [Gods], en komende op de wolken des hemels.

m: Ps 110:1 Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Dan 7:13 [Verder] zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.
Matt 16:27 Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen.
Matt 24:30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.
Mark 14:62 En Jezus zeide: Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechter [hand] der kracht [Gods], en komen met de wolken des hemels.
Luk 22:69 Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechter [hand] der kracht Gods.
Hand 1:11 Welke ook zeiden: Gij Galil�se mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
Rom 14:10 Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.
1Thess 4:16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
Openb 1:7 Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.

Matt 26:65 Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft [God] gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij Zijn [gods] lastering gehoord.
Matt 26:66 Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.

n: Lev 24:16 En wie den Naam des HEEREN gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem zekerlijk stenigen; alzo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij den NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.

Matt 26:67 Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten.

o: Jes 50:6 Ik geef Mijn rug dengenen, die [Mij] slaan, en Mijn wangen dengenen, die [Mij] het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.

Matt 26:68 En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft?

p: Job 16:10 Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.
Joh 19:3 En zeiden: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen.

q: Luk 22:64 En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft?

Jezus door Petrus verloochend.

Matt 26:69 En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart ook met Jezus, den Galil��r.

r: Mark 14:26 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.
Luk 22:55 En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen.
Joh 18:16 En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in.
Joh 18:25 En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.

Matt 26:70 Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt.
Matt 26:71 En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere [dienstmaagd], en zeide tot degenen, die aldaar [waren]: Deze was ook met Jezus den Nazar�ner.
Matt 26:72 En hij loochende het wederom met een eed, [zeggende]: Ik ken den Mens niet.
Matt 26:73 En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.
Matt 26:74 Toen begon hij [zich] te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet.
Matt 26:75 En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.

s: Matt 26:34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
Mark 14:30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.
Luk 22:61 En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.
Joh 13:38 Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.

Updated: 01/09/2017 — 09:09

Matthéüs 25

De wijze en de dwaze maagden.

Matt 25:1 Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, den bruidegom tegemoet.
Matt 25:2 En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.
Matt 25:3 Die dwaas [waren], haar lampen nemende, namen geen olie met zich.
Matt 25:4 Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.
Matt 25:5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.
Matt 25:6 En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!
Matt 25:7 Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen.
Matt 25:8 En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit.
Matt 25:9 Doch de wijzen antwoordden, zeggende: [Geenszins], opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelven.
Matt 25:10 Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed [waren], gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.
Matt 25:11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open!
Matt 25:12 En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u: a Ik ken u niet.

a: Matt 7:23 En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!
Luk 13:25 [Namelijk] nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.

Matt 25:13 Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal.

b: Matt 24:42 Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.
Mark 13:33 Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer de tijd is.
Mark 13:35 Zo waakt dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, [des avonds] laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond);

Wijze en dwaze maagden (Mat.25) Deel hebben aan Gods beloften vergt geloof. Dat was altijd zo en zal ook in de toekomst zo zijn. De gelijkenis van de wijze en dwaze maagden illustreert die realiteit, maar heeft geen betrekking op de tijd waarin wij leven. En daarmee niet op de Gemeente die geenszins zoals de tien maagden door de komst van haar Heer wordt verrast als door ‘een dief in de nacht’. Dat beeld verwijst naar de terugkeer van Christus, nadat Zijn Gemeente al in de hemel is opgenomen en Hij zichtbaar zal zijn op de troon van Zijn heerlijkheid. De maagden symboliseren het Israël en de volken in díe dagen. Aanvaarding door de Bruidegom zal ook dán geschieden op grond van persoonlijk geloof. ‘Wie gereed waren, gingen met Hem in.’

De talenten.

Matt 25:14 Want [het is] gelijk een mens, die buiten ’s lands reizende, zijn dienstknechten riep, en gaf hun zijn goederen over.

c: Luk 19:12 Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver [gelegen] land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.

Matt 25:15 En den ene gaf hij vijf talenten, en den ander twee, en den derden een, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.
Matt 25:16 Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten.
Matt 25:17 Desgelijks ook die de twee [ontvangen had], die won ook andere twee.
Matt 25:18 Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heren.
Matt 25:19 En na een langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen.
Matt 25:20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
Matt 25:21 En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.

d: Matt 24:45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder [hun] voedsel te geven ter rechter tijd?
Luk 12:42 En de Heere zeide: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, dien de heer over zijn dienstboden zal zetten, om [hun] ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven?

Matt 25:22 En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.
Matt 25:23 Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.
Matt 25:24 Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zeide: Heer! ik kende u, dat gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, [waar] gij niet gestrooid hebt;
Matt 25:25 En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe.
Matt 25:26 Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.
Matt 25:27 Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.
Matt 25:28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft.
Matt 25:29 Want een iegelijk die heeft, [dien] zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

e: Matt 13:12 Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
Mark 4:25 Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
Luk 8:18 Ziet dan, hoe gij hoort; want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben, zal van hem genomen worden.
Luk 19:26 Want ik zeg u, dat een iegelijk, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.

Matt 25:30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

f: Matt 8:12 En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.
Matt 13:42 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Matt 22:13 Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt [hem] uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
Matt 24:51 En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Luk 13:28 Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.

Het laatste oordeel.

Matt 25:31 En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid.

g: Matt 16:27 Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen.
Matt 26:64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter [hand] der kracht [Gods], en komende op de wolken des hemels.
Mark 14:62 En Jezus zeide: Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechter [hand] der kracht [Gods], en komen met de wolken des hemels.
Luk 21:27 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.
Hand 1:11 Welke ook zeiden: Gij Galil�se mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
1Thess 4:16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
2Thess 1:10 Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.
Openb 1:7 Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.

h: Matt 19:28 En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Isra�ls.

Matt 25:32 En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.

i: Ezech 34:17 Want gij, o Mijn schapen! de Heere HEERE zegt alzo: Ziet, Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken.
Ezech 34:20 Daarom zegt de Heere HEERE alzo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee.
Matt 13:49 Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden;

Matt 25:33 En Hij zal de schapen tot Zijn rechter [hand] zetten, maar de bokken tot [Zijn] linker [hand].
Matt 25:34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechter [hand zijn]: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! be�rft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.

k: Matt 20:23 En Hij zeide tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop, waarmede Ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linker[hand], staat bij Mij niet te geven, maar [het zal gegeven worden] dien het bereid is van Mijn Vader.
Mark 10:4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en [haar] te verlaten.

Matt 25:35 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.

l: Jes 58:7 Is het niet, dat gij den hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als gij een naakte ziet, dat gij hem dekt, en dat gij u voor uw vlees niet verbergt?
Ezech 18:7 En niemand verdrukt, den schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, den hongerige zijn brood geeft, en den naakte met kleding bedekt;

m: Hebr 13:2 Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.

Matt 25:36 [Ik was] naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.

n: Jes 58:7 Is het niet, dat gij den hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als gij een naakte ziet, dat gij hem dekt, en dat gij u voor uw vlees niet verbergt?
Jak 2:15 Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel;
Jak 2:16 En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?

o: 2Tim 1:16 De Heere geve den huize van Ones�forus barmhartigheid; want hij heeft mij dikmaals verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.

Matt 25:37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?
Matt 25:38 En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?
Matt 25:39 En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?
Matt 25:40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij [dit] een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij [dat] Mij gedaan.

p: Spr 19:7 Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na [met] woorden, die niets zijn.
Matt 10:42 En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud [water], in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.
Mark 9:41 Want zo wie ulieden een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat gij [discipelen] van Christus zijt, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.
Joh 13:20 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zende, wie [dien] ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
2Kor 9:6 En dit [zeg ik]: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.

Matt 25:41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linker [hand zijn]: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.

q: Ps 6:9 Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.
Matt 7:23 En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!
Luk 13:25 [Namelijk] nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.
Luk 13:27 En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid!

r: Jes 30:33 Want Tofeth is van gisteren bereid; [ja], hij is ook voor den koning bereid; Hij heeft hem diep [en] wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem des HEEREN zal hem aansteken als een zwavelstroom.
Openb 19:20 En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt.

Matt 25:42 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;
Matt 25:43 Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.
Matt 25:44 Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?
Matt 25:45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij [dit] een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.

s: Spr 14:31 Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
Spr 17:5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
Zach 2:8 Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid [over u], heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.

Matt 25:46 En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

t: Dan 12:2 En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, [en] tot eeuwige afgrijzing.
Joh 5:29 En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.

Updated: 01/09/2017 — 07:35

Matthéüs 24

De tekenen van het einde der wereld.

Matt 24:1 En a Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.

a: Mark 13:1 En als Hij uit den tempel ging, zeide een van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen!
Luk 21:5 En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij met schone stenen en begiftigingen versierd was, zeide Hij:

Matt 24:2 En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet [een] steen op den [anderen] steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.

b: 1Kon 9:7 Zo zal Ik Isra�l uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, hetwelk Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Isra�l zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken.
1Kon 9:8 En aangaande dit huis, [dat] verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelve zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft de HEERE alzo gedaan aan dit land en aan dit huis?
Micha 3:12 Daarom, om uwentwil, zal Sion [als] een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal [tot] steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds.
Luk 19:44 En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den [enen] steen op den [anderen] steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.

Matt 24:3 En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk [zal] het teken [zijn] van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?

c: Mark 13:1 En als Hij uit den tempel ging, zeide een van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen!
Mark 13:3 En als Hij gezeten was op den Olijfberg, tegen den tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andr�as, alleen:
Luk 21:7 En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?

d: Hand 1:6 Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Isra�l het Koninkrijk wederoprichten?

Matt 24:4 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.

e: Jer 29:8 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Isra�ls: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen.
Efez 5:6 Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.
Kol 2:18 Dat [dan] niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses;
2Thess 2:3 Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want [die komt niet], tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;
1Joh 4:1 Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.

Matt 24:5 Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.

f: Jer 14:14 En de HEERE zeide tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren ulieden een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten.
Jer 23:25 Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.
Joh 5:43 Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen.

Matt 24:6 En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al [die] dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.
Matt 24:7 Want het [ene] volk zal tegen het [andere] volk opstaan, en het [ene] koninkrijk tegen het [andere] koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilenti�n, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.

g: Jes 19:2 Want Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden een iegelijk tegen zijn broeder, en een iegelijk tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk.

Matt 24:8 Doch al die dingen [zijn maar] een beginsel der smarten.
Matt 24:9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.

h: Matt 10:17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen.
Luk 21:11 En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilenti�n; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden.
Luk 21:12 Maar v��r dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en [u] vervolgen, [u] overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil.
Joh 15:20 Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
Joh 16:2 Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen.
Openb 2:10 Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal [enigen] van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.

Matt 24:10 En dan zullen er velen ge�rgerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.
Matt 24:11 En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.

i: 2Petr 2:1 En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, [en] een haastig verderf over zichzelven brengende;

Matt 24:12 En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.

k: 2Tim 3:1 En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.

Matt 24:13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

l: Matt 10:22 En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.
Mark 13:13 En gij zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Luk 21:19 Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.
Openb 2:7 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.
Openb 2:10 Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal [enigen] van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.
Openb 3:10 Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.

Matt 24:14 En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.

De grote verdrukking.

Matt 24:15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Dani�l, den profeet, staande in de heilige plaats; (die [het] leest, die merke daarop!)

m: Mark 13:14 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den profeet Dani�l gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Jud�a zijn, dat zij vlieden op de bergen.
Luk 21:20 Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.

n: Dan 9:27 En hij zal velen het verbond versterken een week; en [in] de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.

Matt 24:16 Dat alsdan, die in Jud�a zijn, vlieden op de bergen;
Matt 24:17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;
Matt 24:18 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.
Matt 24:19 Maar wee den bevruchten, en den zogenden [vrouwen] in die dagen!
Matt 24:20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.

o: Hand 1:2 Tot op den dag, in welken Hij opgenomen is, nadat Hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven.

Matt 24:21 Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.

p: Dan 12:1 En te dier tijd zal Micha�l opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het [zulk] een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.

Matt 24:22 En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.

Christus’ wederkomst.

Matt 24:23 Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.

q: Mark 13:21 En alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet.
Luk 21:8 En Hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben [de Christus]; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.

Matt 24:24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.

r: Deut 13:1 Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder;
2Thess 2:11 En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;

Matt 24:25 Ziet, Ik heb [het] u voorzegd!
Matt 24:26 Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, [hij is] in de binnenkameren; gelooft het niet.

s: Luk 17:23 En zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of ziet daar is Hij; gaat niet heen, en volgt niet.

Matt 24:27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.
Matt 24:28 Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.

t: Job 39:33 Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.
Luk 17:37 En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heere? En Hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.

Matt 24:29 En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.

v: Jes 13:10 Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
Ezech 32:7 En als Ik u zal uitblussen, zal Ik den hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten.
Joel 2:31 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.
Joel 3:15 De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
Mark 13:24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.
Luk 21:25 En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;

Matt 24:30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.

x: Dan 7:10 Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.
Matt 16:27 Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen.
Matt 25:31 En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid.
Matt 26:64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter [hand] der kracht [Gods], en komende op de wolken des hemels.
Mark 13:26 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.
Mark 14:62 En Jezus zeide: Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechter [hand] der kracht [Gods], en komen met de wolken des hemels.
Luk 21:27 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.
Hand 1:11 Welke ook zeiden: Gij Galil�se mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
2Thess 1:10 Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.
Openb 1:7 Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.

y: Openb 1:7 Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.

Matt 24:31 En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het [ene] uiterste der hemelen tot het [andere] uiterste derzelve.

z: 1Kor 15:52 In een punt des [tijds], in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.
1Thess 4:16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;

De uitspruitende vijgenboom.

Matt 24:32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.

a: Mark 13:28 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
Luk 21:29 En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen.

Matt 24:33 Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat [het] nabij is, voor de deur.
Matt 24:34 Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
Matt 24:35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.

b: Ps 102:27 Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.
Jes 51:6 Heft ulieder ogen op naar den hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
Mark 13:31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
Hebr 1:11 Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;

Aansporing tot waakzaamheid.

Matt 24:36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.

c: Mark 13:32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.
Hand 1:7 En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;

Matt 24:37 En gelijk de dagen van Noach [waren], alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.

d: Gen 6:2 Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
Luk 17:26 En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen.
1Petr 3:20 Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.
2Petr 2:5 En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;

Matt 24:38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;

e: Gen 7:7 Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.

Matt 24:39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
Matt 24:40 Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.

f: Luk 17:34 Ik zeg u: In dien nacht zullen twee op een bed zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
1Thess 4:17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.

Matt 24:41 Er zullen twee [vrouwen] malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
Matt 24:42 Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.

g: Matt 25:13 Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des mensen komen zal.
Mark 13:33 Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer de tijd is.
Luk 12:40 Gij dan, zijt ook bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
Luk 21:36 Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.

Matt 24:43 Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.

h: Luk 12:39 Maar weet dit, dat, indien de heer des huizes geweten had, in welke ure de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.
1Thess 5:2 Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.
2Petr 3:10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
Openb 3:3 Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.
Openb 16:15 Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte [niet] zie.

Matt 24:44 Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
Matt 24:45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder [hun] voedsel te geven ter rechter tijd?

i: Matt 25:21 En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.
Luk 12:42 En de Heere zeide: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, dien de heer over zijn dienstboden zal zetten, om [hun] ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven?

Matt 24:46 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.
Matt 24:47 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.
Matt 24:48 Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen;
Matt 24:49 En zou beginnen [zijn] mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;
Matt 24:50 Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij [hem] niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet;
Matt 24:51 En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

k: Matt 8:12 En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.
Matt 13:42 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Matt 22:13 Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt [hem] uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
Matt 25:30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
Luk 13:28 Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.

Updated: 01/09/2017 — 00:13
Pagina 1 van 812345678
In de hemel is wél bier ! © 2014 Frontier Theme